0
Coassistente Sultan

# ‘Meneer, ik ga nu een ambulance bellen.’

juli 17, 2019

Mijn eerste huisartscoschap was in een klein boerendorpje in the middle of nowhere. De huisarts heeft echt een soort ‘ouderrol’ in dit dorp; hij is de dokter, de bemiddelaar, de familietherapeut, en voor sommige ouderen een van de weinige mensen waar ze contact mee hebben. Hij kent al zijn patiënten bij naam én verhaal; dit is ongekend in de grote stad, waar mijn huisarts amper weet hoe ik heet. Ook is een groot deel van de populatie oud, dus huisbezoeken zijn een standaard onderdeel van de werkdag.

Een huisbezoek dat me heel scherp bijblijft, is bij een bejaard koppel. We kregen een bezorgd telefoontje van mevrouw over haar man, die nu zo vermoeid is dat hij niet meer op kan staan. Het is al een poosje bekend dat hij slokdarmkanker heeft, maar meneer is houdt niet van ziekenhuizen of dokters; hij is een flinke zorgvermijder. Dat mevrouw belt, betekent dat er echt iets aan de hand is. We gaan op huisbezoek.

We arriveren in een klein vrijstaand huisje, volgepropt met decoraties en kleine spulletjes (een beeld dat ik heel vaak zie in dit dorp). We worden aan de deur begroet door een oudere dame, en achter haar een enorme (maar duidelijk erg jonge) hond.
“We hadden nooit een puppy moeten kopen”, vertelt ze. “We kunnen beiden niet veel meer. Hij wil zo veel spelen.” Dit merk ik ook, want ik ben tijdens het huisbezoek tien keer omver geduwd door deze beer van een hond, die duidelijk geen training of opvoeding gehad heeft.
We volgen haar naar binnen en in een fauteuil zie ik een extreem vermagerde man zitten. Hij is bot en huid, zijn kleren hangen als losse zakken over zijn lichaam en zijn ogen zijn ingezonken. Er valt niets te ontkennen aan zijn situatie; de kanker is uitgebreid, en er komt niets meer door langs de tumor in zijn slokdarm.

“Dit kan zo niet langer, dokter”, zegt de vrouw terwijl haar beer hond op mijn schoot probeert te springen. “Hij heeft al dagen niet gegeten, en er gaat ook amper water in.”
Ik probeer zijn bloeddruk te meten, maar zelfs de kleinste band valt zo van zijn arm. Hij is zo vermagerd en verzwakt dat hij geen kracht meer heeft om uit de stoel te komen.
“Ik ga nu een ambulance bellen” verklaart de dokter. “U had allang opgenomen moeten zijn.”
De man sprokkelt zijn laatste beetjes energie bijeen om ons te smeken niet te bellen. “Nee, ik wil geen ambulance, ik wil niet naar het ziekenhuis. Ik ga niet mee. Ik ben hier nu niet op voorbereid.”
We kunnen niet om de feiten draaien: als hij nu nog thuis blijft gaat hij dood. Heel snel.
“Kan de ambulance dan morgen komen? Ik kan dit nu niet aan. Het gaat allemaal te snel.”
Zijn vrouw begint te huilen, wordt boos, begint te smeken, gaat over op schreeuwen, maar het helpt niet. Zijn antwoord blijft een stugge nee. Na een discussie van ruim een half uur overtuigen we hem dat de ambulance niet nu, maar in de middag komt, zodat hij zich er mentaal op kan voorbereiden. Zijn vrouw bedankt ons hartelijk en haar opluchting is duidelijk enorm.

Enkele weken later ben ik terug op deze praktijk na andere coschappen gevolgd te hebben. Ik vraag hoe het is gegaan met deze man, wiens vermagerde lichaam op mijn netvlies is gebrand. Hij woog 50 kilo, met kleding.
Hij is die middag naar het ziekenhuis gebracht, maar de chirurg wou en kon hem niet in deze staat opereren. Hij kreeg sondevoeding om eerst aan te sterken, maar de ziekte had al de overwinning behaald; hij overleed voordat hij geopereerd kon worden. Ik denk aan zijn vrouw, en hun beertje, die nu alleen zijn.

Ook in Nederland zijn er veel zorgmijders; we zien en horen ze niet, maar gelukkig zijn er betrokken huisartsen die ze soms weten te bereiken. Ze zijn verstopt in elk dorpje, elke stad en elke buurt, en het is aan ons de taak ze te vinden en ze een helpende hand te bieden.

Ook leuk om te lezen

Geen reacties

Laat een reactie achter