0
Dokter Do

#Verdriet

april 30, 2019

‘Je mag niet boos zijn op God,’ klaagde mijn buurmeisje. We waren een jaar of acht, misschien negen. Ik was inderdaad vaak boos, teleurgesteld of gewoon niet zo heel blij met het leven. ‘Ik ben niet boos op God, maar Hij mag wel weten hoe ik hierover denk,’ antwoordde ik terug, starend naar het vogeltje dat platgereden was. Ik begreep niet zo goed waar het vogeltje zo een helse dood aan had verdiend.

Naarmate ik ouder werd, steeds meer realiseerde hoe de dood onlosmakelijk hoorde bij het leven, leerde ik ook dat de dood geen straf is. Niet iets waar we om hebben gevraagd of wat je kunt voorspellen. Dat hebben de dood en het leven behoorlijk gemeen met elkaar. Beide onvoorspelbaar, beide even gelukzalig voor sommige als genadeloos voor de ander. Kortom, je kunt beter niet proberen de dood noch het leven te begrijpen. Als je dat doet, heb je het niet helemaal begrepen. Soms kun je bepaalde boosheid geen plek geven. En dat is misschien wel het ergste van allemaal. Dat je niet zonder gezeur van anderen boos mag zijn op de wereld, een schepper, die shmiegel die je hart brak, de vervelende docenten die je geen kans wilden geven, op jezelf of misschien zelfs de dokter. Die jou niet op tijd kon helpen, een fout heeft gemaakt of je baby niet kon redden.

Het is bijna mensonterend om te zien hoeveel pijn iemand moet doorstaan om een kind op aarde te brengen. Iets wat door de wetten van de natuur als mogelijk is verklaard, maar waar zoveel fout kan gaan. Het is verbazingwekkend om te zien hoe vaak het wel goed gaat, als je opgeleid wordt tot dokter en maar al te goed weet hoe het kan lopen. Hoe kwetsbaar de mens in zijn algeheelheid is. Dan heb ik het nog maar over het lichaam, laat staan hoe breekbaar de ziel is.

Zeven maanden gingen voorbij, haar buik groeide mooi door, alle onderzoeken waren goed en zelfs de naam was al uitgezocht. Tot ze op een dag de baby niet meer voelde bewegen. Uit het niets. Zomaar.

Haar moederinstinct gilde het uit dat het niet pluis was. Het besef dat er iets echt niet pluis was, kwam naderhand. Bij de verontrustende blik van de verloskundige, die eigenlijk haar had moeten geruststellen, echter liet de waarheid het niet toe. De sceptische blik van de gynaecoloog die van het ergste uit ging, en vervolgens de echo. Die de feiten keihard op de tafel drukte. Het kindje leefde niet meer. Het hartje stond stil.

Al snel kreeg de moeder de keuze om de zwangerschap uit te zitten, wetende dat de baby niet meer te redden was of de bevalling kunstmatig in te leiden. Een keizersnede was geen optie. In een gezond lichaam, moet je niet snijden. Ze koos voor kunstmatig inleiden, doorzat de weeeen en de pijn van het verlies die ze zeven maanden droeg.

En nu had ze het baby’tje in haar armen. Het leek net een engeltje die sliep. Voor de rest zou je er niets aan kunnen merken. Hij was prachtig. Echt prachtig.

De vrouw en haar partner gingen er sterk mee om. Iets te sterk naar mijn gevoel. Het klopte niet. Ik had wat meer verdriet, geschreeuw, boosheid en tranen verwacht. Want dat is wat ik voelde. Maar net als met elk verlies, komt de emotie pas na de shock. Als ze naar huis zou gaan, haar lichaam even leeg zou aanvoelen als het huis. De babykamer die ze zo mooi hadden ingericht, haar zere lichaam en haar borsten die melk produceren. Alles zou ze herinneren aan de afwezigheid van het kindje. Om niet te spreken over de begrafenis die nog geregeld moest worden.

“Do, kom je? We gaan beginnen bij mevrouw op kamer 9.” Uit mijn gedachte gehaald zie ik de verloskundige aan het begin van de gang naar mij gebaren. Ik knik, en beloof dat ik er zo aan kom. Het leven ging weer door.

Ook leuk om te lezen

Geen reacties

Laat een reactie achter