0
Coassistente Sultan

#Perspectief

november 6, 2019

Ik heb gedurende mijn bachelor heel erg uitgekeken naar het coschap psychiatrie. Het voelde als een tak van de geneeskunde waarin ik het beste tot uiting zou komen; deels door eigen ervaring met het vak, maar deels ook door wat ik in mijn omgeving had gezien. Ik vond – en vind – dat dingen beter, sneller, en vooral menselijker benaderd kunnen worden binnen de psychiatrie; met minder pillen, meer therapie en vooral meer empathie. Ik stelde mezelf in de toekomst voor, als een psychiater met een eigen praktijk, die de tijd kon nemen voor haar patiënten en de medeleven toonde dat ik in de patiëntenrol graag had willen krijgen.

Mijn verwachtingen veranderden al na ongeveer een half uur coschap. Ik zat in een intensive care setting, met de moeilijkste casussen uit de regio, en liep met een jonge arts-assistente mee naar een patiëntgesprek. Helaas was het meer een schreeuwsessie vanuit de jonge patiënte met een waslijst aan diagnoses. Ze kwam de arts-assistente haarfijn vertellen dat zij zich met haar eigen zaken moest bemoeien, pakweg een centimeter van haar gezicht af. Ze stond op het punt een klap te geven, toen de verpleging ingreep en haar naar haar kamer bracht.

Rustige gesprekken, coöperatieve patiënten met zorgvragen en ziekte-inzicht, cognitieve gedragstherapie… Niets was hier te vinden. Dit was geen klein psychiatriepraktijkje, dit was een intensieve instelling.

Ik zag de patiënte van het gesprek elke dag. Haar blik van afgunst doorboorde me. Ik durfde haar niet aan te kijken; wellicht door angst op een reactie, wellicht door schaamte omdat ik aan de ‘andere kant’ zat, de kant die haar opsloot tegen haar wil. Ik wou dat ze niet hier hoefde te zitten, opgesloten, met naalden die in haar geprikt werden terwijl ze tegen de grond geduwd werd, of met smeekbedes aan de telefoon om nieuwe foto’s van haar baby te kunnen zien. Haar ziektes konden haar puurste menselijke instinct, moederschap, niet onderdrukken. Ik wou ook niet dat diezelfde baby gevaar liep, want dat was wel aan de hand voordat de patiënte werd opgenomen.

Empathie had ik veel, maar wel van een afstand. Ze wou me niet hebben bij de hoorzittingen met de rechter, of bij de gesprekken met de psychiaters. Zelfs aan tafel – ik ontbeet mee met de verpleging en de patiënten – maakte ze duidelijk dat ze me niet mocht. Soms maakte ze een grapje, of verontschuldigde ze zich omdat ze me ergens niet bij wou hebben, maar het was me nooit duidelijk of het oprecht was. Toen ze me vroeg of ik alsjeblieft sigaretten voor haar wou halen, was ze vriendelijk, maar toen ik aanklopte en een stap in haar kamer deed om die sigaretten te geven, explodeerde ze en griste het boos uit m’n handen. Ik kon haar niet lezen.

Voor de medewerkers van de instelling was ze één van de zoveel patiënten; ze gaven haar eten, ze gaven haar pillen, en als ze die weigerde kreeg ze het wel via een andere weg (er was een rechterlijke machtiging). Ik begon haar perspectief te begrijpen; een gevangen vogel die weg wou vliegen, maar haar vleugels waren verwond en haar kuiken van haar afgenomen. Ik zag haar moe worden, moe van het vechten en ruzie maken en tegenstribbelen. Ze miste haar kind en zou alles voor haar doen, al moest ze daarvoor elke maand antipsychotica-injecties krijgen.

Ze stemde in met de behandeling. Ik stemde mee met de psychiater die zei dat dit vak niet zo bij me paste.


Sultan is coassistente en schrijft twee-wekelijks voor ‘Dokter Do. Sultan is ook te volgen op instagram: @ikheetgeenco

Ook leuk om te lezen

Geen reacties

Laat een reactie achter