#WannabeHeldin

‘Pff, eindelijk lunchtijd,’ zei mijn collega coassistente en nam tegenover mij plaats in de kantine. Ik sloeg mijn handen over elkaar heen en plaatste ze op de tafel om vervolgens mijn hoofd erin te begraven. ‘Zo, jij hebt er geloof ik geen zin meer in,’ grinnikte ze. ‘Nee, ik heb het helemaal gehad met de coschappen,’ mopperde ik en hield mijn hoofd verstopt. ‘Ik vraag mij af waar ik ooit aan begonnen ben.’ ‘Dat vragen we ons allemaal af,’ zei ze en propte een grote hap van haar brood in haar mond. ‘Maar, dit is jouw droom toch? Dokter worden. Dus kom op nou do,’ vervolgde ze met volle mond.

Ik ging weer rechtop zitten en keek om mij heen. Een paar tafels verderop zaten de arts-assistenten. Het tafeltje ernaast de verpleegkundigen en daarnaast een tafel waar de specialisten zaten. Het deed mij denken aan een Amerikaanse high school film. De tafel waar de specialisten aan zaten, was de cool kids tafel. Daar wilde je bij horen. Zo wilde je ook zijn. ‘Het duurt allemaal zo lang,’ klaagde ik en speelde met een stukje overgebleven komkommer op mijn bord. ‘Ja. Het duurt zeker lang. Maar we komen er wel. Ooit op een dag holt er een coassistent achter jou aan en maak je haar of hem aan het huilen,’ grapte ze.

Ik moest wel een beetje grimassen om die gedachte. Buiten het ziekenhuis hemelen mensen je op, omdat je voor dokter studeert. Maar in het ziekenhuis weten ze heel goed waar je plekje is. Op een krukje, helemaal onderaan de ladder. ‘Ik ga maar weer eens naar de Traumapoli,’ zuchtte ik, stond langzaam op omdat ik mij opeens tien jaar ouder voelde en nam mijn dienblad mee.

Op de Traumapoli werd ik door de gipsmeester gelijk gewezen naar de eerste patiënt. Ik wierp nog snel een blik op het computerscherm om te kijken waar de patiënt voor kwam voor ik naar het jongetje liep. ‘Joeri?’ vroeg ik en stak mijn hand naar een jongen van een jaar of acht die mij met grote grijsblauwe ogen verwonderd aankeek. ‘Hoe weet u mijn naam?’ stotterde hij. Ik trok mijn wenkbrauwen op en zei nonchalant: ‘Ach, dat staat gewoon in de compu-.’ Ik slikte mijn laatste woord in, omdat het jongetje mij bleef aankijken alsof ik een heldin was en ging maar snel verder: ‘Goed Joeri, het gips mag er denk ik wel af. Mijn collega komt zo nog even kijken. En je mag lekker weer alles doen met je arm. Maar niet weer gaan vechten hoor.’ Zijn blik ging van zijn moeder naar mij en van mij weer naar zijn moeder. ‘Hoe weet ze dat toch,’ fluisterde hij.

Als coassistent heb je evenveel geduld nodig als je patiënten. Soms moet je ellenlang in de wachtkamer wachten als een verloren puppy, omdat de patiënt je er niet bij wilt hebben. Soms moet je als een vergeten natte krant op een krukje in een donker hoekje gaan zitten en vechten tegen het gapen, omdat het nogal onprofessioneel overkomt. Soms loop je de marathon achter de arts-assistent aan en wandel je per ongeluk mee de wc in, omdat arts-assistenten ook moeten plassen maar je hem of haar niet uit het oog wilt verliezen.

Blunder, na blunder, na blunder. Maar dan heb je af en toe zo een ‘Joeri-momentje’. En dan weet je het weer. Ooit ben je een echte held(in), maar tot die tijd leer je nog even geduldig te zijn.

 

3 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie