#TweeKwaden

Pasen heeft sinds vorig jaar een bijsmaak gekregen voor mij. Het was niet meer een onschuldig christelijke feestdag met chocolade paaseieren en een vrolijk springende paashaas. Het deed mij nu vooral denken aan een patiënt. Ik kan mij nog goed herinneren hoe hij, in zijn kamer, de eenvoudige ziekenhuisstoel naast het raam had gezet en naar buiten zat te turen. De zon scheen fel op zijn dikke bos grijze haren. Onder zijn hemd stak een doorzichtig buisje, of beter gezegd een drain, en volgde een weg naar een blauw doosje met allemaal toeters en bellen waar ik verder geen verstand van had. Hij had het doosje op de grond tegen de stoelpoot aan gezet.

De longarts klopte zachtjes, met zijn knokkels, tegen de deur aan. Ik voelde mij bezwaard op erbij te zijn. Maar ook dankbaar. Drie mensen stonden nu voor de patiënt, in hun intimiderende witte jassen; de longarts, de arts-assistent en ik. Ik deed de deur achter ons dicht en de patiënt zette zichzelf rechtop in zijn stoel. Hij gaf ons een hand en bleef ons afwachtend aankijken. ‘Ik heb helaas geen goed nieuws voor u,’ begon de longarts. ‘Ik had gehoopt dat uw vrouw er ook al was, wilt u anders dat we terugkomen als uw vrouw er is?’ De patiënt keek ons verslagen aan, alsof hij al kon ruiken dat het niet goed was. Maar ergens had hij nog een klein sprankje hoop en die kwamen we nu van hem afnemen.

‘Nee, mijn vrouw kan er vandaag niet bij zijn. Vertelt u maar dokter.’ Er viel een korte stilte, daarna begon de longarts verder te vertellen: ‘De punctie laat inderdaad kwaadaardige cellen zien.’ De patiënt sloeg zijn hand voor zijn mond en bleef de longarts aankijken. Ik zag zijn ogen langzaam vochtig worden en voelde dat mijn ogen ook begonnen te branden. ‘U heeft longkanker,’ liet de longarts de bom uiteindelijk vallen. Voorzichtig, kort en vooral heel krachtig. Zo een lelijke ziekte, kan je niet mooi brengen. Hoe goed je er ook op oefent. Niet erom heen praten, niet meer de patiënt onnodig in spanning houden, maar zeggen waar het op staat zodat we verder kunnen denken.

‘En nu?’ vroeg de patiënt haperend. Hij probeerde zich groot te houden en zijn tranen te bedwingen, maar het lukte hem niet. Het leek alsof iemand mijn hart stevig vast greep en genadeloos dichtkneep. Ik kan veel hebben. Bloed, openliggende buiken en benen, gekraak van botten, maar een ding heb ik een grote zwak voor. En dat is mannen die huilen. Het breekt letterlijk mijn hart. De longarts vertelde hem wat het plan was, dat hij nu nog niet naar huis kan, omdat de thoraxdrain nog even moest blijven zitten tot hij compleet van zijn klaplong af was. Het punt was namelijk, dat deze patiënt een punctie kreeg van de longen nadat er op de longfoto iets werd gezien wat er niet hoorde. Een complicatie die daarbij kan optreden, is een klaplong. Een hele kleine kans, daar had deze patiënt het wel mee ‘getroffen’.

‘Maar, het is morgen Pasen. Kan ik niet naar huis en dan na Pasen weer terugkomen?’ vroeg de patiënt hoopvol. De longarts wierp een blik uit het raam, waardoor de patiënt zich naar de arts-assistent wendde, die haar mond opende om iets te zeggen, maar ze hield het bij een zucht en besloot stil te blijven. ‘Ik kan dat helaas niet goedkeuren. U heeft nog een drain en het is niet verstandig om u daarmee naar huis te laten gaan. Het spijt mij,’ zei de longarts gemeend. Zijn stem klonk machteloos met een vleugje teleurstelling in zichzelf. Alsof hij eigenlijk had willen zeggen: ‘Absoluut, u mag naar huis. Haal die drain er maar uit dames. Want wie weet, is dit misschien zijn laatste Pasen.’

1 antwoord

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie