#StatusSusStatusZo

‘Doa!’ riep de arts-assistente. Beduusd keek ik op van mijn computerscherm, want ze zat echt pal naast mij en ik begreep niet zo goed waarom ze zo hard mijn naam moest roepen. ‘Waarom heb je in je verslaglegging geschreven dat die mevrouw van een kruk is gevallen, toen ze haar kamer lampje aan het wisselen was.’ ‘Omdat die patiënte het zo verteld heeft, hoezo?’ vroeg ik. Ze keek geërgerd en proestte: ‘Ja, dat hoeft er dus niet in.’ Ik zag haar mijn zinnen deleten. Alleen de zin ‘gevallen en op haar polsen terecht gekomen’ liet ze staan. ‘Jeetje, ben je met de verkeerde been uit bed gestapt?’ had een ander arts-assistent haar gevraagd. Ik geloof dat hij voor de arme coassistent wilde opkomen.

Het kon mij allemaal niets schelen. Ik had mij alweer gericht op mijn eigen computerscherm en tikte mijn statussen verder door. Ze moest het lekker zelf weten als ze zich zo wilde gedragen. Ik lig er niet wakker van. Maar of ik er oprecht iets van leer, is een andere vraag. Gaandeweg leer je zo goed de statusvoering, dat je precies weet bij welke arts-assistent je het hoe en wat moet opschrijven. Zonder dat je er echt bewust van bent.

Want als coassistent word je elke week, door een ander arts-assistent, weer op het matje geroepen omdat je de status niet zo hebt getypt zoals zij het willen. Gelukkig heb je ook arts-assistenten ertussen zitten die het gewoon prima vinden, zoals je het doen (zolang alle belangrijke dringen erin staan), en zeggen ze troostend: ‘Iedereen doet het toch anders.’

En dat klopt. Echt iedereen doet het anders. Op de interne houden ze van lange lap teksten schrijven. Maar niet te lang. En geen fratsen, alleen de belangrijke informatie. Dan heb je nog de collega’s die liever een slash dan een dubbele punt gebruiken, of andersom. En de collega’s die fan zijn van afkortingen, terwijl je ook collega’s hebt die daar enorm allergisch voor zijn.

Op de chirurgie houden ze juist van korte statussen. Maar te kort is ook alweer niet goed. Het is eigenlijk nooit goed. Er is bijna altijd wel iets wat je niet erin hebt gezet of wat ze juist overbodig vinden. Ja, erg demotiverend voor een “schrijvende coassistente.”

Behalve op de psychiatrie. Daar is het echt feest voor schrijvende coassistenten als ik, want daar mag je hele a4’tjes volschrijven. Alles mag erin. Hoe gedetailleerder hoe beter. “Moeder zei dit, dochter zit voorovergebogen, patiënt maakt geen oogcontact.” Heerlijk. Daar moet je bij de chirurgie echt niet mee aan komen zetten: ‘Pietje is tijdens het voetballen met oom van moederskant en neefje, gevallen en met zijn knie tegen een paal aangekomen. Pietje kreeg toen een ijsje tegen de pijn.” Ik zie het al helemaal voor mij hoe de arts-assistenten van de chirurgie daar spontaan een zenuwtrekje van krijgen.

2 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie