#NietZoGewoon

Ze drukte het groeiboekje, van een van de nieuw opgenomen patiënte, in mijn handen en vroeg of ik het in het systeem wilde zetten. Ik bladerde spiedend in het boekje en mompelde: ‘Ja, hoor.’ Maar eigenlijk dacht ik, dit is niet bepaald een van mijn leerdoelen voor de coschappen. Het is dat ik haar heel erg aardig en fijn vond als arts-assistente, of misschien was het haar Belgische accent waar ze letterlijk overal mee kon wegkomen, dat ik maar joviaal zei: ‘Komt voor elkaar.’

Wanneer ik plaats heb genomen achter mijn computer en het groene groeiboekje opnieuw open klapte, viel het mij op hoe goed geregeld alles eigenlijk is in Nederland. In mijn vaderland hebben ze geloof ik nooit eerder gehoord van een groeiboekje. Je mocht daar al blij zijn als ze een geboortedatum en –tijd noteerden. En van een vaccinatieboekje weten ze al helemaal niets. Misschien zit ik nu flink te oordelen, maar dat komt omdat ik er hopeloos moedeloos van word dat er telkens weer naar mijn vaccinatieboekje wordt gevraagd als ik weer in een ander ziekenhuis mijn coschappen moet lopen. ‘Ja mevrouw. Ik ben echt gevaccineerd, want ik kan die verduivelde prikken nog als de dag van gisteren herinneren, maar in Irak hielden ze geen vaccinatieboekje bij’ legde ik elke keer weer overtuigend uit.

Ik heb trouwens ook geen flauw idee hoe ik eruit zag als baby, want er werden niet veel foto’s gemaakt van mij. Volgens mijn ouders was er geen tijd voor foto’s (vroeger had je geen smartphones en moest je naar een fotograaf) en de foto’s die er waren, zijn kwijt geraakt tijdens de oorlog. Ik geloof ze niet. Volgens mij was ik gewoon een spuuglelijke baby met een snor en zijn er daarom geen foto’s. Baby’s zijn trouwens sowieso eng. Ze kunnen je doordringend aankijken, alsof ze je gedachten kunnen lezen en lachen opeens, uit het niets, in je gezicht. Alsof ze weten dat je jaloers bent op hun zorgeloze leventje en je jouw eigen leven ‘zat’ begint te worden.

Maar goed, ik dwaal af. Het groeiboekje hadden we het over. Het was de bedoeling dat ik de lengtes en gewichten in het systeem moest zetten en dan zou het automatisch in een groeicurve omgezet worden. Maar ik bleef in het boekje doorbladeren. Er stonden zulke openhartige berichten in, dat het bijna verkeerd aanvoelde om het te lezen. ‘Hier zei je voor het eerst mama’; ‘Hier at je voor het eerst aardbei, volgens mij vond je het niet zo lekker’; ‘Hier deed je voor het eerst helemaal alleen op het potje poepen. Wat ben je goed bezig!’ Ik vond het hartverwarmend.

En ik wilde dit ook, later. Voor mijn eigen kinderen. Ze elke dag vertellen hoe trots ik op ze ben, hoe mooi ze zijn en hoe slim ik ze vind. En ergens moest ik ook lachen om het groeiboekje. Omdat we in het begin zo trots op onszelf en elkaar zijn om de kleinste dingen zoals ‘poepen’ en gedurende het leven je steeds meer van jezelf en elkaar gaat vragen. Poepen wordt opeens heel gewoon.

Soms verwachten mensen teveel van zichzelf. Draaien uiteindelijk door, krijgen kortsluiting en eindigen net als dit meisje in een psychiatrische inrichting.

Het is cliché, maar clichés zijn vaak waar dus ik ga het toch zeggen: Het zijn de kleine dingen die ertoe doen! En die echt het verschil maken. Dus maak je niet al te druk. Het is het niet (altijd) waard. En bedenk even wanneer je voor het laatst stil hebt gestaan bij wat je allemaal bereikt hebt en hoe trots je eigenlijk op jezelf mag zijn. Of op elkaar.

1 antwoord

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie