#LoveMeLoveMeNot

Hoe weet je of iemand van je houdt? Vroeger, als klein meisje, plukte ik een bloem. Vaak waren het madeliefjes die snel mijn slachtoffer werden. Ik trok dan een voor een, terwijl ik binnensmonds ‘ loves me, loves me not’ fluisterde de blaadjes eraf totdat alleen de gele kern overbleef. Behalve als het laatste blaadje ‘loves me not’ was, dan liet ik hem zitten, gooide het bloemetje weg, plukte een andere en begon opnieuw.

Kon je maar op zo een makkelijk manier er achter komen. Dan had het mij veel pijn kunnen besparen. Want niks is meer beangstigend dan niet weten wat iemand werkelijk voor intentie heeft met je. Losse flarden als ‘ik hou van je’, neppe beloftes als ‘ik zal jou never flashen’, en waardeloze kreten als ‘best friends for life die je alles toe kan vertrouwen,’ geloof ik niet meer in.

Zulke mensen, die zich totaal uit hun eigen werkelijke karakter gedragen, vind ik doodeng. Elke keer als mijn hart brak door de zoveelste neppe vriendschap, zei mijn vader: ‘Het is je eigen schuld kindje, je bent gewoon zo naïef.’

Ik kon er vroeger enorm over tobben dat ik mij in bepaalde mensen had vergist. ‘Hoe kon ik zo dom zijn?’ heb ik mezelf vaak verwijtend afgevraagd. Nu weet ik dat het normaal is om je te vergissen. Het is oké om fouten te maken. We hebben ze allemaal, dus nergens voor nodig om je ervoor te schamen.

Fouten, zijn niets meer en minder dan een teken van groei. Dus Godzijdank dat ik nog de ruimte en tijd heb om dikke vette fouten te maken en nog meer te mogen groeien. En de pijn?

De pijn, is enkel een herinnering van een hele wijze les die je nooit meer mag vergeten.

(Vergeet niet onderaan te subscriben om Up-to-date te blijven!)

#Rollercoaster

‘Hoe word ik zo mooi als jij?’ fluisterde ik in haar oor. Ze duwde mijn hoofd, met haar kleine handje, van haar oor weg, haalde haar schouders op en staarde verder naar de televisie. ‘Ik meen het hoor.’ ‘Wil je het echt weten?’ vroeg ze glimlachend. Ik knikte. ‘Oke,’ grinnikte ze en stond op. Ze greep mijn gezicht met beide handen vast en kneep in mijn wangen. ‘Eerst moeten die puistjes weg.’ ‘En hoe doe ik dat dan?’ Ze keek met haar grote zwarte ogen omhoog en bewoog haar wijsvinger naar haar lippen. Dat deed ze altijd als ze nadacht. Ik probeerde mijn lach in te houden en wachtte rustig af tot ze mij haar geheimen zou onthullen. ‘Kijk, je moet elke dag vroeg gaan slapen. Gelijk als de zon onder gaat,’ legde ze uit. ‘En krijg ik dan z’n mooie huid als die van jouw?’ Ze schudde haar hoofd heen en weer. ‘Nee, je moet ook elk dag vroeg opstaan.’ Ik keek haar aan alsof ik erg verbaasd en aandachtig aan het luisteren was. ‘En je mag niet meer snoepen!’ ‘Dus jij snoept niet meer?’ zei ik argwanend. Ze hield haar beide handen voor haar mond en giechelde.’Oke, en wat moet ik nog meer doen om zo mooi te worden als jij?’ Ze keek mij observerend aan en zei heel serieus: ‘Je moet vaker je haar los doen en nette kleren dragen. Dus geen gat in je broek.’ Ik moest zo hard om die opmerking lachen dat ze mij geschokt aankeek, vervolgens haar armen over elkaar heen sloeg en boos wegkeek. ‘Je moet het wel serieus nemen, Doa,’ mopperde ze.

Mijn nichtje is vijf jaar oud. Ze is gek op telefoons en Ipads, maar vooral op make-up. Vanmorgen toen ik terugkwam van mijn reisje Engeland, kwam ze niet zoals gewoonlijk springend op mij af. Ze kwam rustig naast mij zitten, keek mij aan en zei fluisterend: ‘Je hebt make-up op!’ Ik lachte en antwoordde: ‘Valt wel mee toch.’ ‘Je lippen zijn helemaal paars,’ schreeuwde ze fronsend. Wat ze eigenlijk bedoelde was: ‘Ik wil ook lippenstift op.’ Maar het is dat haar vader erbij zat en zijn dochtertje scherp aankeek. Ze veegde met haar wijsvinger een beetje lippenstift van mijn mond weg, keek vanuit haar ooghoeken of haar vader toevallig meekeek en smeerde het stiekem op haar lippen toen hij even niet oplette. ‘Dat is vies, niet meer doen’ zei ik streng.

Wat mijn nichtje niet weet, is dat ik enorm veel leer van haar. Vaak onbewust, maar soms ook heel bewust. Zoals een tijdje terug toen ik haar meenam naar de kermis en ze perse in een attractie wilde, waar ze eigenlijk te klein en te dun voor was. ‘Dit keer zal ik sterk zijn,’ zei ze overtuigend, terwijl ze de stalen heupbeugel krampachtig vastgreep alsof ons leven ervan afhing. Ik glimlachte en moest denken aan hoe ze de vorige rit haar longen eruit had staan krijsen. ‘Laat me eruit,’ had ze huilend geschreeuwd.

Misschien klopt die vergelijking wat ze maken wel: ”Life is like a rollercoaster.” Je hebt de pieken en de dalen, de vlinders in je buik en af en toe even moeten overgeven. Opnieuw de stukken bij elkaar oprapen en alles weer vanaf het begin opbouwen, leek opeens niet meer zo een slecht idee.Het werd tijd om een voorbeeld te nemen aan haar en op het leven (en de liefde) een tweede kans te wagen.

Maar dit keer zal ik sterk zijn…

#Roffa

“Ik vind het maar niks Do,’ zei Selar afgelopen zondag. ‘Dat Rotterdams accentje van je. Waar is je schattige Zuid-Limburgse accentje gebleven?’

Tja, ergens wel jammer maar ik moest hem verleren. In Rotterdam werd ik als allochtoon niet bepaald serieus genomen met mijn misplaatste accent. “Jongens ga met dat meisje praten. Zij praat zo grappig,” vertelde een Turkse jongen van mijn schooljaar, terwijl hij naar mij wees. “Ach wat schattig! Kom je uit Belgie?,’ vroeg een Marokkaans meisje mij. En zo ging het een heel jaar lang door. Ik had zelfs een vriendin die mijn quotes op facebook zette zodat heel de wereld kon meegenieten van mijn gekke uitspraakjes. Van je vrienden moet je het hebben!

Tegenwoordig lachen ze mij uit om mijn harde Rotterdamse R en af en toe een verdwaalde zachte G. Ewa ja, ik praat nou eenmaal grappig want ik heb in bijna alle hoeken van Nederland gewoond. En hoogstwaarschijnlijk spreek en versta ik meer Nederlandse dialecten dan de gemiddelde Nederlander. Maar nergens heb ik mij zo erg thuis gevoeld als in Rotterdam.

Misschien komt het door die zwerver die altijd bij de Bijenkorf zijn bekende liedje staat te zingen: “Koop een krantje bij mij, maak mij blij.”

Of misschien omdat er op straat Rotterdams wordt gesproken. Dat betekent dus dat je in de ene hoek Turks hoort en in de andere hoek Chinees en aan de overkant weer een heel ander taaltje.

Heel misschien komt het door mijn secret crush: de Erasmus brug. Die zelfs mijn donkerste dagen, no matter what, weet te verlichten. Of zal het Centraal Station zijn, waar ik altijd spontaan zin krijg in een kapsalon? Met extra veel kaas. Want ik ben nou eenmaal een kaaskop.

Maar waarschijnlijk komt het doordat Rotterdam, net als ik, verwoest werd door een oorlog. En nu een tweede kans krijgt om opnieuw te schijnen.

Wat het ook is,
Roffa, ik heb je lief ♡

#Tupac

Zie je dat gebouw op de achtergrond, waar ik zo dromerig en verliefd naar staar? Dat is het Erasmus Medisch Centrum. Het (zieken)huis, waar ik opgroeide van het naïeve jonge meisje, naar de nog steeds ietwat naïeve ‘volwassen’ vrouw.

Ik heb hier gelachen, gehuild, vrienden voor het leven gemaakt, in lijken gesneden, de tofste artsen ontmoet maar vooral ontroerende en inspirerende patiënten leren kennen. Sommige van die patiënten, vergeet ik nooit meer. Zoals het kleine blonde meisje van een jaar of vijf.

Terwijl ik uit het raam tuurde en verstild in dagdromerij mijn droge boterham oppeuzelde, voelde ik iets aan mijn witte jas trekken. Ik keek op en zag een klein meisje met onbestemd blauw ogen. Haar blonde krullen hingen engelachtig over haar schouders. Het soort ‘wavey hair’ wat ik laatst 3 uur met een wavey style iron heb proberen te bereiken.

‘Dag meissie, wat kan ik voor je doen?’ vroeg ik en propte mijn laatste hap boterham in mijn mond. ‘Mijn kindje is ziek,’ antwoordde ze met een bezorgd piepstemmetje en liet mij haar knuffelbeest zien. ‘Wat een mooie knuffelbeer heb jij!’ zei ik liefelijk. ‘Het is geen beer, het is een kat!’ snauwde ze. Ik grinnikte en nam het beestje in mijn handen. ‘Wat mankeert eraan?’ Ze nam naast mij plaats en begon te vertellen: ‘Zijn hartje is gebroken en hij huilt heel de dag maar door en door.’ ‘Oh, wat zielig zeg.’ zei ik gemeend. ‘Maar vertel eens, hoe heet je kindje?’ Ze keek me met haar helderblauwe ogen trots aan en zei: ‘Tupac Amaru Shakur!’ ‘Tupac, weet je wel wie dat is?’ gierde ik van het lachen. Ze keek mij aan alsof ik een hele domme en rare dokter was. ‘Tuurlijk, iedereen weet toch wie dat is. Maar dokter, heeft u iets tegen een gebroken hart?’

Wat een schattig kindje was dat. Ik wou haar in een doosje stoppen en meenemen, maar volgens mij is dat strafbaar. En wat zal ze geweldige ouders hebben die haar op jonge leeftijd al kennis laten maken met verschillende culturen.

En tja, wat betreft het gebroken hartje. Daar is helaas nog geen medicijn voor. Maar het schijnt dat liefde erg pijnstillend werkt.

“I’m not saying I’m gonna change the world, but I guarantee that I will spark the brain that will change the world.’’ (Tupac Amaru Shakur).