#Mamma

Met mijn Gray’s Anatomy boek opengeklapt en het Sabotta anatomie boek ernaast, zat ik gefocust de vrouwelijke anatomie van de mamma, met andere woorden ‘borst’, na te tekenen in mijn notitie boekje. Ik wilde de dag erna een operatie meekijken waarbij ze een mamma-amputatie zouden uitvoeren bij een vrouw met borstkanker. De vorige keer dat ik had meegekeken, stond ik voor paal omdat ik de anatomie niet goed uit mijn hoofd kende. Dat wilde ik dit keer voorkomen.

‘Zou het woord ‘mama’ afgeleid zijn van het Latijnse woord ‘mamma’ voor borst?’ vroeg ik aan de coassistente die naast mij stevig zat door te tikken op de computer. Ze had geloof ik een presentatie en zag er flink gestrest uit. ‘Weet ik veel. Nooit bij stilgestaan,’ zei ze kortaf. ‘Hmm.’ Ik haalde mijn schouders op en tekende verder. Het leek wel logisch. Omdat moeders kinderen borstvoeding geven, zeg maar. Ik heb het geprobeerd te googelen, maar kon er niets over vinden.

De volgende dag was ik best zenuwachtig voor de operatie. Niet zo zeer om de vragen die de chirurg mij hoogstwaarschijnlijk zou gaan stellen, maar vooral het feit dat er een borst geamputeerd werd. Ik kon mij er niets bij voorstellen. Voor de patiënte door de anesthesiemedewerkers werd opgehaald en in slaap gebracht, heb ik even met haar gebabbeld. Ze was nog best een jonge vrouw. Net in de 40, geloof ik. Ze vertelde mij over haar dochtertje, dat ze bijna naar de middelbare ging en hoe trots ze op haar was. Over haar ziekte vertelde ze niets. En ik durfde er zelf ook niet over te vragen. Soms spreken ziekenhuisbedden eigenlijk al voor zich.

Tijdens de operatie mocht ik niet aan tafel. ‘Je kan beter achter mij gaan staan, dan zie je het beter,’ zei de chirurg. Dus ik ging achter hem staan en keek toe hoe hij haar borst, zonder enige moeite, verwijderde. Ik vond het maar gek. Een tumor in haar borst, wat haar leven binnen no time had kunnen beëindigen. En nou een operatie en een flinke hechting op de plek waar een uur geleden haar borst nog was, redde haar leven. Nou kon ze haar kind hoogstwaarschijnlijk zien afstuderen en oma worden. Tja, ergens zijn die chirurgen best wel helden.

Later op de afdeling, voelde ze zich moe maar erg opgelucht. Nu de tumor uit haar lijf was, durfde ik ook meer aan haar te vragen. ‘Waarom heeft u eigenlijk gekozen voor een borstamputatie en niet een borstsparende behandeling?’ vroeg ik haar. Ze had namelijk een kleine tumor, die de chirurgen prima borstsparend hadden kunnen verwijderen. Dat wil zeggen, dat ze alleen de tumor verwijderen en het weefsel erom heen. De borst laten ze verder met rust. ‘Omdat ik mama ben,’ antwoordde ze en knipoogde stoer naar mij. Ze wilde al die therapie die erna zou volgen en de angst dat de tumor niet helemaal verwijderd zou zijn voorkomen.

‘Weet je wat gek is,’ zei ze twijfelend. Ik luisterde aandachtig. ‘Vroeger was ik nooit tevreden over mijn borsten. Ik heb zelfs plastisch chirurgie overwogen. Maar voor nu, ben ik blij dat het weg is.’ Ik glimlachte voorzichtig. Ik was blij voor haar dat ze er zo positief in stond, maar ik weet dat voor heel veel vrouwen zo een operatie erg ingrijpend en beschadigend is. ‘Het is maar een vet bobbel toch. Wat zegt dat nou over mijn vrouwelijkheid,’ grapte ze. Geen idee. Misschien zegt het inderdaad wel helemaal niets en probeert de media ons gekke dingen wijs te maken.

Ik denk nu dat het woord ‘mamma’ wat borst betekent in het Latijns, afgeleid is van het woord mama. Wat in bijna elk taal staat voor ‘moeder.’ En dat was deze patiënte zeker. Met of zonder mamma’s. Dat kon deze verschrikkelijke horror ziekte niet van haar afpakken.

#TentamenSuicide

‘Er komt zo een jongedame van 16 jaar, ze heeft volgens moeder 60 paracetamol en 30 ibuprofen ingenomen. Tentamen suïcide,’ wordt er door een van de SEH-verpleegkundigen geroepen. Tentamen Suïcide heeft trouwens niets te maken met tentamens. Don’t let the name fool you. Het betekent letterlijk ‘zelfmoordpoging.’ Ik kijk de arts-assistent, die naast mij achter de computer aandachtig zit te tikken, vragend aan en hoop dat hij zegt dat ik er heen mag gaan. Hij blijft doortikken. ‘Hey, zou ik die patiënte mogen zien?’ besluit ik brutaal te vragen. Zonder van zijn scherm op te kijken antwoordt hij: ‘Nee, het lijkt mij beter als je dat niet doet. Dit is een lastige patiënte. We kennen haar en zien haar nu voor de derde keer in 2 maanden tijd voor hetzelfde,’ legt hij uit. Als hij mij aankijkt en mijn teleurgestelde uitdrukking op mijn gezicht ziet, zegt hij: “Niet persoonlijk bedoelt, maar het is beter voor haar dat er een ervaren dokter heen gaat.’ ‘Ik begrijp het,’ antwoord ik zachtjes.

‘Ze heeft dit keer een afscheidsbrief achtergelaten,’ zegt de SEH-verpleegkundige. Een afscheidsbrief is een alarmsignaal voor artsen. Menens dit keer dus. “Het is uit met haar vriendje en daar is ze helemaal kapot van,” vertelt ze. Terwijl de SEH-verpleegkundige doorvertelt, horen we op de gang het geschreeuw van een jonge meid. Ze was gearriveerd. Ondanks het onaangename lawaai wat ze maakte, waren we ergens toch opgelucht dat ze in ieder geval nog alert was.

Later bleek dat het meisje helemaal niets had ingenomen dit keer. En het een schreeuw om aandacht, of eigenlijk meer om hulp was. Het meisje wilde zelfs perse in het ziekenhuis blijven en dreigde wel echt de pillen in te nemen als we haar naar huis zouden sturen. Ik begreep er niet zo heel veel van. Maar had met haar te doen.

Ze was een mooie meid, maar je kunt niet mensen dwingen van je te houden. Soms werkt het gewoon niet. Maar is dat een reden om je leven kapot te maken?

Hoe halen we het soms in ons hoofd, dat het hen iets zou doen, als we onszelf pijn doen. Is het niet gewoon beter om, hoe cliché en makkelijk dit ook klinkt, verder te gaan met je leven. Laten zien dat je het beter hebt zonder hen in je leven. En vaak is het zelfs ook echt zo.

Ik heb met de jaren heen geleerd dat je beter niets van mensen kunt verwachten. En soms vergeet ik die wijze les en raak ik toch gekwetst, maar ja..als je jezelf de tijd geeft, haal je die “verloren tijd” zo weer in.

Om teleurstelling te voorkomen, kun je beter niets terug verwachten. Zelfs niet een simpele ‘dankjewel.’ Want de meeste mensen zijn al ondankbaar tegenover hun eigen Schepper, dus waarom zouden ze jou, een simpele ziel, dankbaar moeten zijn?

Niemand, is het waard om je leven voor diegene kapot te maken. Of zelfs te beëindigen. En nogmaals, klinkt cliché maar voor alle problemen is er een oplossing. Maar voor de dood niet. Want als je eenmaal weg bent, ben je echt voorgoed weg. Geen enkele dokter die iemand uit de dood kan genezen.

Gun jezelf een tweede kans, net als je al die andere mensen die je ooit kwaad hebben gedaan een tweede kans hebt gegund. And keep your head up!

#BlauweVinkenDepressie

‘Zij gaat zeker weten nooit trouwen,’ hoorde ik een meisje tegen haar vriendin zeggen. Ze zaten tegenover mij in de trein en scrolden door hun telefoons. ‘Daar is ze veel te lelijk voor.’ ‘Zo, echt wel. Moet je die neus zien. Als ik haar was had ik allang plastisch chirurgie gedaan,’ zei het andere meisje. ‘Dat heeft ze al gedaan hoor. Kijk die lippen dan, sowieso botox,’ zei het andere meisje weer. Ik zat vol verbazing te luisteren. Niet alleen om hun domheid, want botox spuit je niet in lippen, maar meer om de dingen die ze zeiden. Ze zagen er beide netjes uit, hun make-up mooi gedaan, haren netjes gestijld en kleren perfect gematcht. Toch vond ik ze lelijk door de woorden die uit hun mond kwamen.

Ik besloot niet meer naar ze te luisteren en naar buiten te staren. In het raam zag ik mijn eigen reflectie. De inmiddels beruchte drol-look-a-like knotje van mij, mijn overdreven dikke trui (maar goed, ik ben nou eenmaal een koudkleun), mijn wenkbrauwen on hide and seek ipv on fleek, mijn gescheurde broek. Als Sem mij nu zou zien, zou ze afkeurend met haar hoofd schudden en peinzend vragen of ik een zwerver ben en een euro in mijn hand drukken.

Uiterlijk is belangrijk. Dat weet ik. Maar tegenwoordig hechten mensen er meer waarde aan, dan het waard is. Ze werken meer aan hun wenkbrauwen dan aan hun karakter. En dat doet mij eerlijk gezegd pijn om te zien. Of misschien ben ik gewoon stiekem jaloers omdat mijn wenkbrauwen de weg kwijt zijn en die dikke trui mij 5 kilo zwaarder doet lijken.

Wat ik wil zeggen is, dat al die onzin helemaal niet nodig is. Iedereen is perfect zoals die is. En niemand, maar dan ook niemand is TE LELIJK om te trouwen.

Wij vrouwen, worden al onzeker genoeg gemaakt door mannen die op Brad Pit lijken, honderden mooie vrouwen in hun lijst hebben en maar ons de blauwe vinkjes blijven geven. Ik noem het de blauwe vinkjes depressie. Om maar verder niets te zeggen over alle social media en het LIKE-gebeuren. Niet ontkennen dames, die nieuwe selfie die je vandaag maakte en waar je zo trots op was, maar 10 likes voor kreeg, heeft je mascara niet veel goed gedaan.

Ik hou er niet van om in gebiedende wijs te praten, maar vandaag doe ik het toch. Wees lief voor elkaar!! Het is nergens voor nodig om elkaar af te katten en onzekerheid aan te praten. En het is veel leuker om een compliment te geven en te ontvangen, dan iemand te beledigen. Dus geef dat meisje, die je ‘te lelijk vind om te trouwen’ die like op haar nieuwe selfie vandaag, want jij zou het ook waarderen.

Laat je schoonheid ook stralen in de woorden en het gedrag dat je gebruikt en uit. Je bent mooi zoals je bent. Al die poespas is nergens voor nodig. Go Shine <3.

#AllochtonenEnHonden

‘Aahhh,’ hoorde ik iemand in een van de kamers op de gang schreeuwen. Ik ging snel kijken wat er aan de hand was. Toevallig wilde ik toch net een nieuw patiënt gaan zien. Ik schoof het gordijntje aan de kant, liep de kamer binnen en schoof vervolgens het gordijntje weer achter mij dicht. Een jongeman, van Marokkaanse afkomst, lag languit op de onderzoeksbank met een open knie. Hij keek mij boos aan.

‘Alles goed?’ vroeg ik hem en schudde zijn hand. Ik wist al dat het een domme vraag was en dat hij fel zou reageren met: ‘Nee, ik heb pijn.’ ‘Ik zal zo aan de verpleegkundige doorgeven dat je iets tegen de pijn mag krijgen,’ probeerde ik hem gerust te stellen. Hij knikte. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ik hem, terwijl ik aandachtig naar zijn knie keek, zonder het aan te raken omdat hij paniekerig overeind schoot toen ik dicht bij zijn knie kwam.

‘Zo een hond,’ begon hij zijn verhaal. ‘Liep opeens achter mij aan. En ik ben doodsbang voor honden, dus ik ben voor vaderland weggerend maar die hond ging toen nog sneller achter mij aan rennen.’ Ik probeerde mijn lach in te houden. Het was helemaal niet grappig, maar het deed mij denken aan mijn eigen broertjes en neefjes. Allochtonen, zijn als de dood voor honden.

‘En toen?’ ‘En toen viel ik, en die hond viel ook over mij heen.’ Ik knikte aandachtig. ‘Heeft die hond je ook gebeten?’ ‘Nee volgens mij niet. Het ging allemaal zo snel, maar denk niet dat ik gebeten ben.’ ‘Ik ga even handschoenen aantrekken om goed naar je knie te kijken en het te ontsmetten,’ zei ik voorzichtig. ‘Gaat dat pijn doen?’ vroeg hij met trillende stem. ‘Een beetje, sorry.’

Ik zette het bakje met ontsmettingsmiddel en een paar gaasjes naast hem op de onderzoeksbank en nam plaats op een krukje, terwijl ik mijn handschoenen aantrok. Hij begon hard te schreeuwen toen ik zijn knie begon schoon te spoelen. ‘Sorry,’ meende ik. Ik kon door de wond zijn knieschijf zien, maar vertelde hem dat niet. Ik wist haast wel zeker dat hij van zijn stokje zou gaan als ik dat had verteld. ‘Ik moet dit helaas gaan hechten. Twee hechtingen denk ik.’ ‘Shit, dat meen je niet,’ zuchtte hij. ‘Maar ik ga de randen rondom de wond verdoven, dus je zult er niks van voelen.’ Hij wendde zijn blik naar het plafond en zuchtte weer diep. ‘Die verdomde hond ook…’ zei hij. Voor ik met de verdovingsspuit zijn huid aanraakte, begon hij al keihard te schreeuwen. ‘Arme jongen,’ dacht ik in mezelf.

#HORRORINDEOK

 

Zonder twijfel kerfde de chirurg een snee midden op de borst van de patiënt, wat knalroze was aangekleurd door het ontsmettingsmiddel. ‘Alsjeblieft,’ zei de operatie-assistente die naast mij stond en een klemmetje in mijn hand drukte om de snee beter open te kunnen houden. Zo kon de chirurg de snee goed open branden. De geur van het verbrand vlees, vet en bloed deed mij denken aan het weekendbarbecue. Ik probeerde die gedachte snel van mij af te schudden. ‘Djeez Do, wel even menselijk blijven,’ fluisterde ik mezelf in.

Nadat de chirurg bij het borstbeen kwam, toverde hij een zaag tevoorschijn en zei: ‘Oke, en nu aan de kant want dit is gevaarlijk. Ik ben serieus Doa.’ Ik drukte mijn handen angstig tegen mijn bovenbuik aan en keek met grote ogen toe hoe hij de borst van de patiënt open zaagde. ‘Woow, u heeft hem letterlijk open gezaagd,’ riep ik verbijsterd. ‘Kom eens dichterbij. Kijk, dit zijn de longen, en zie je het hart kloppen?’ fluisterde hij. Ik keek opzij naar de operatie-assistente die aan het grimassen was en piepte zacht: ‘Ja, hoe kan ik dat nou missen.’ ‘Voel maar aan de longen,’ zei de chirurg. En terwijl ik gefascineerd naar de longen, die rustig in en uit aan het ademen waren en het kloppende hart zat te staren, kwam de chirurg met een paar grote klemmen, koppelde het vast aan twee palen die naast het bed stonden en schroefde letterlijk de borst van de patiënt nog meer open.

‘Zo. Nou kan ik er goed bij,’ grinnikte de chirurg. ‘Let op Doa, we gaan nu de patiënt koppelen aan de hart-longmachine.’ Ik slikte en keek toe hoe de chirurg grote buizen in het hart van de patiënt plaatste. ‘Deze buizen, nemen nu de functie over van de grote slagaderen van het hart,’ legde hij mij uit. Ik knikte en deed alsof het allemaal super logisch was, maar diep van binnen was ik de stem die continue ‘what the hell’ aan het roepen was, aan het dimmen.

‘Pak eens dat kleine schaaltje op,’ vroeg hij. Ik deed wat hij vroeg en hield het schaaltje vast. Hij haalde een van de buizen weer uit het hart, legde het neer in het schaaltje en schakelde even de machine aan. Een fractie van een milliseconde en het schaaltje had zich bijna helemaal gevuld met bloed.

‘Zie je hoe snel het schaaltje zich vulde. Daarom moeten wij snel te werk gaan zo en geen fouten maken. De patiënt bloed anders dood,’ legde de chirurg uit en koppelde de buis terug het hart in. Het woord ‘dood’ bleef in mijn hoofd door galmen, terwijl ik verbijsterd en waarschijnlijk lijkbleek luisterde naar de chirurg die mij uitlegde hoe de hart-longmachine nou precies werkte. Ik voelde mijn lichaam even koud worden als die van de patiënt. ‘Ik ga nu het hart van de patiënt stilleggen. Jij moet zijn hart vasthouden en goed omhoog houden voor mij. Maar wees wel voorzichtig.’ Ik deed wat hij vroeg. Ik hield het hart vast, als het meest breekbare ding op de wereld. Ik heb nog nooit iets zo voorzichtig vastgehouden en durfde zelfs niet te diep in te ademen. Na de operatie vroeg de chirurg wat ik ervan vond. Ik was zo sprakeloos, dat ik met moeite ‘vet gaaf’ kon zeggen.

We hadden de patiënt eerst dood gemaakt. En toen opnieuw leven gegeven. En ook ik leek opeens opnieuw te leven. Misschien kwam het door de adrenaline, of de koffie die ik voor de operatie achterover had geslagen. Maar het idee, dat ik iemands hart in mijn handen had vastgehouden en heb weten te beschermen gaf mij even het gevoel heel de wereld aan te kunnen.

‘Oke, ik heb honger. Ik ga eten. Sluit jij de wond?’ vroeg de chirurg, terwijl hij de hechtspullen in mijn handen drukte en wegliep. De operatie-assistente ging tegenover mij staan en zei liefelijk: ‘Ik help je wel even…’

#NEE

‘Dag jongeman,’ ik stak mijn hand uit naar een drie-jarig jongetje met een bos warrige blonde krullen en groen grijze ogen die mij vol verbazing aankeken en ging op mijn knieën tegenover hem zitten. ‘Bij kinderen is het belangrijk dat je op dezelfde ooghoogte zit anders vinden ze je gauw eng,’ herinnerde ik een van mijn docenten zeggen. Hij zat op de grond in de kinderkamer op de SEH en had in zijn ene hand een gele vrachtwagen en in zijn andere hand een vierkanten blok. ‘Krijg ik geen handje?’ vroeg ik. Hij staarde mij even aan, gleed met zijn blik naar mijn witte jas, vervolgens weer naar mijn gezicht, glimlachte en schudde met zijn hoofd. ‘Nee!?’ zei ik verbaasd. Hij lachte, gooide het gele vrachtwagentje aan de kant en gaf mij aarzelend zijn hand.

‘Ik hoorde dat je pijn hebt aan je voet. Zou ik even mogen kijken naar je voetje?’ ‘Nee,’ brulde hij en kroop richting zijn moeder die een paar meter naast ons tegen de muur aanstond. Sh*t, ik had het niet moeten vragen, dacht ik. Aan peuters nooit vragen, maar gewoon zeggen en doen. Dat is waar ze ons mee plat gooien tijdens de lessen voor je aan een nieuwe co-schap begint. ‘Hij zit in zijn Nee-fase,’ grinnikte zijn moeder verlegen. ‘Ja, ik merk het.’

‘Ik ga toch even naar je voet kijken. Sorry maatje,’ zei ik en greep zonder pardon naar zijn voet. Hij vervoerde zich, naar mijn verbazing, niet en keek mij scheef aan alsof ik een of ander randdebiel was. ‘Mama, wanneer kunnen wij weer naar huis?’ vroeg hij aan zijn moeder. ‘Ik ga nog even mijn collega roepen, die wilde ook met mij meekijken naar je voetje. En daarna mag je als het goed is naar huis,’ zei ik met een hoge piepstem. Ik kan er niets aan doen. Bij kinderen, gaat mijn stem opeens op Po van de teletubbies lijken.

Een paar minuten later kwam ik met mijn collega weer de kamer in. Het jongetje was nu heen en weer aan het lopen, en zo te zien was er niks met zijn voet aan de hand. Het kleine blonde jongetje liep naar mijn collega toe, gaf haar een hand, keek mij vervolgens aan en zei: ‘Jou heb ik al gezien. Jij krijgt geen hand meer.’

Bijdehandje…

#XTC

Terwijl ik in de artsenkamer, uit verveling, naar enge ziekten aan het googlen was, hoorde ik op de gang de artsassistent aandenderen met nog een paar onbekende voetstappen. Vrolijk riep hij de kamer in: “Dokter doooooo.” Ik forceerde een glimlach en groette terug. De onbekende voetstappen bleken van de nieuwe oudste-coassistent te zijn. “Hoi, jou heb ik nog geen hand gegeven,” groette ik hem vriendelijk en schudde zijn hand. De artsassistent plofte vervolgens neer op de stoel naast mij en zei: “we krijgen zo een nieuwe opname vanuit de SEH. Ik denk dat het wel een leuke patient is voor jou om op te nemen.” “Hoezo voor mij?” vroeg ik.

“Nou, het is een jonge knaap. Jij was toch nog vrijgezel,” lachte hij sullig. Ik keek verveeld naar hem en besloot er niet om te lachen. “Nee even serieus, waarom een leuk patient voor mij. Heeft hij Lupus?” De oudste coassistent grinnikte: “It’s never Lupus.” Een quote van dr.House omdat die ziekte bijna nooit voorkomt.

“Nee, hij heeft geen Lupus. Maar waarschijnlijk Rhabdomyolyse. Jij mag uitzoeken hoe hij eraan komt.” “Aha,” knikte ik, stond op en sjokte weg om aan een van de verpleging te vragen mij op te piepen als de patient op de kamer lag. Bij rhabdomyolyse gaan spiervezels in grote hoeveelheden kapot. In het bloed kunnen we dat zien aan een bepaald stofje wat extreem verhoogd is.

Toen de patient er eenmaal was, inderdaad een jonge knaap die behoorlijk afgetraind was en de zusters al grinnekend zijn kamer uitliepen, hoorde ik ze nog fluisteren: “Leuke knul joh.” Ik liep zijn kamer binnen en begon al met mijn waterval aan vragen. Hij vertelde dat hij gisteren op een feestje was, een paar pilsjes had gedronken met zijn maten en vanochtend opeens niks meer kon bewegen van de pijn. Heel zijn lichaam deed zeer, alsof hij flink had staan sporten. Daarnaast was hij ervan overtuigd geen drugs of andere gekke pilletjes te hebben gebruikt op het feestje. Zijn bloed zei echter andere dingen in het lab.

Eigenlijk wist ik al bijna zeker dat hij op dat leuke feestje gisteravond een pilletje had gebruikt. Zijn moeder zat bezorgd naast hem aan zijn bed en keek mij vol verwachting aan, nadat ik het gesprek afsloot en zei: “Ik kom later op de dag nog terug met mijn collega om het plan met jullie te bespreken.” “Ik moet straks mijn jongste zoon ophalen van school, hoelaat komen jullie terug met het plan?” vroeg ze. “Aan het eind van de middag.”

Een uur later ging ik terug naar de jonge knaap, in de hoop dat zijn moeder al weg was. En dat was ze. Hij zat gezellig te kletsen met de verpleegkundige. Ik vroeg haar of ze even de kamer wilde verlaten, omdat ik nog het een en ander met de patient wilde bespreken. “Tuurlijk,” zei ze vriendelijk. “Hey, we hebben eens goed na zitten denken. Mijn collega’s en ik en jouw bloeduitslagen kunnen passen bij een spierziekte. Maar omdat het zo plotseling begonnen is, denken we meer aan XTC.” Zijn gezicht trok even bleek weg. “Ik begrijp dat je in het bijzijn van je moeder niet durft toe te geven dat je een pilletje hebt gebruikt. Maar, als je wilt dat wij jou helpen, hebben wij wel de juiste informatie van jou nodig.” Hij keek bedenkend naar de grond en zei toen fluisterend: “Klopt, ik heb XTC gebruikt.” Ik gaf hem een klop op zijn schouder en zei vriendelijk: “Had dat dan meteen gezegd. Had ons een hoop tijd gekost.” Hij lachte verlegen.

#NietAanstellen

Hij zat er niet bij alsof hij nu elk moment met spoed geholpen moest worden. Toch was hij hier, op de spoed eisende hulp. Ik stak mijn hand naar hem uit en stelde mijzelf netjes voor. ‘Waar komt u voor?’ vroeg ik hem. Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik moest van de huisarts hierheen komen. Hij denkt dat mijn enkel gebroken is.’ ‘Oh? En dat denkt u zelf niet?’ Ik keek rond in de kamer op zoek naar een rolstoel of krukken, want een man met een gebroken enkel kon in geen enkele mogelijkheid lopend gekomen zijn. ‘Ja, misschien. Hij is nog steeds dik,’ zei hij en rolde zijn broekspijp omhoog. ‘Hoe bent u eigenlijk hierheen gekomen?’ vroeg ik nieuwsgierig. ‘Gewoon lopend,’ zei hij alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Ik keek naar zijn enkel en zag dat het inderdaad in vergelijking met zijn andere enkel wat dikker was. ‘Ja hij is inderdaad wat dikker, wat is er precies gebeurd? Bent u gevallen?’

Hij zuchtte diep en sloeg zijn blik naar het plafond. ‘Het gebeurde een aantal maanden geleden. Ergens in juni geloof ik. Ik was toen aan het fietsen, raakte mijn evenwicht kwijt en viel.’ ‘En wat gebeurde er daarna? Kon u toen gelijk weer opstaan en lopen?’ Hij keek mij bedenkend aan. ‘Ja, het deed wel pijn. Maar ik dacht, stel je niet aan en vooruit met de geit.’ Ik moest erom lachen. ‘Maar wat denk je, is die gebroken?’ vroeg hij en keek naar zijn dikke enkel. ‘Dat kan ik aan de buitenkant niet zien. Ik heb een foto aangevraagd, ze kunnen u elk moment op komen halen om een foto te maken van uw enkel.’ ‘Aha, en gaat dat lang duren? Ik wil graag snel terug naar werk.’ Net op dat moment kwamen twee laboranten aanlopen om hem op te halen voor de foto. ‘Kijk eens, ze zijn er al. Ik zie u weer nadat de foto gemaakt is.’ ‘Heeft meneer ook een rolstoel?’ vroeg een van de laboranten. ‘Ben je mal? Rolstoel? Ik kan gewoon lopen hoor,’ zei hij, stond op en liep volkomen normaal met de twee dames mee.

Een half uur later liep ik weer terug naar de patiënt, samen met de arts met wie ik de foto had bekeken en besproken. ‘Het is wonderbaarlijk hoe u al die tijd op die enkel hebt gelopen met zo’n flinke breuk,’ vertelde de arts. ‘Als u een paar maanden terug gelijk was gekomen, dan hadden we u hoogstwaarschijnlijk geopereerd. De breuk is nu stabiel en een operatie is nu niet nodig.‘Ja, ik heb er ook geen last van. Het is alleen die zwelling. Voor de rest kan ik er alles mee doen, kijk maar,’ hij bewoog zijn enkel even alle kanten op. ‘Ik heb zelfs ermee rondgelopen in de duinen. Niet aanstellen, gewoon doorgaan,’ grinnikte hij.

We hebben deze patiënt ontslagen met een drukverband en hem geadviseerd wat rustiger aan te doen. Toen ik hem zijn hand schudde en hem ‘wel thuis’ wenste, reageerde hij met: ‘Ik ga niet naar huis. Ik ga werken, kind.’

Wat een held!

#MountainHigh

‘Psst,’ hoorde ik iemand in een verscholen hoekje in de bieb zeggen. Ik keek achterom om te kijken wie het was en herkende deze dokter aan zijn halflange oranjebruine haren meteen. Ik glimlachte naar hem en vroeg hem hoe het ging. Hij wees grijnzend naar de berg papieren die voor hem op tafel lag en zei grinnikend: ‘Wat denk je zelf.’ ‘Tja, the life we chose,’ dacht ik.

Want dit is hoe het werkt in de Geneeskunde. Je bent nooit uitgeleerd, ook al heb je die diploma straks op zak en mag je eindelijk jezelf dokter noemen. You still got a very long way to go. Je kunt het vergelijken met een hoge berg. Het lijkt dichtbij, maar als je eenmaal die berg probeert te benaderen besef je wat voor pokke-end het eigenlijk is. Om maar niet te spreken over al die obstakels op te weg, de verkeerde afslagen die je hebt genomen en af en toe moeten omrijden om achteraf jezelf een facepalm te geven omdat je zo akelig dom bent geweest en de route beter had moeten uitstippelen. You learn along the way.

It’s perfectly normal. Want vroeg of laat, bereik je die berg wel. En die berg is opeens groter en hoger dan je van een afstand had verwacht. Ook lijkt opeens die mooie uitzicht die je van een verte had, verdwenen te zijn. Je ziet namelijk door de bomen het bos niet meer, of in dit geval door die ‘oh zo mooie’ berg. Maar skitt, je bent er! En nu ga je dat ding beklimmen ook. Ik heb mij laten vertellen dat hoe hoger je klimt, hoe beter je uitzicht wordt. Dus het komt allemaal goed. I guess.

Na alle obstakels, omwegen, blessures, schrammen en eventuele botbreuken bereik je na jaren trainen de top van de berg. En damn, wat een heerlijk uitzicht zul je daar hebben.

‘Wat doe jij nog zo laat in de bieb dan?’ vroeg hij mij fronsend. ‘Leren voor mijn MAK-toets,’ zei ik en liet mijn schouders hangen. ‘Ah joh! Makkie, die ga je wel halen. Zet hem op.’ Hij knipoogde, haalde zijn pen van achter zijn oor vandaan en begon verder te studeren. Geinig genoeg motiveren die arts-assistenten ons als coassistenten wel. Sommige hebben een motivatie en wilskracht in hun ogen, waar ik alleen maar U tegen kan zeggen.

Stiekem vraag ik mij af of wij als coassistenten hun ook motiveren. Of ze zichzelf in ons herinneren en denken; ‘Ik was ook ooit daar begonnen. Wat ben ik eigenlijk toch ver gekomen tot nu toe.’

Ain’t no mountain high enough…

#SEH

Mijn maag protesteerde bij elke stap die ik richting de SEH nam en ik voelde mij zenuwachtiger dan ooit te voren. Ik had totaal geen idee wat mij te wachten stond. Zou het echt zo hectisch zijn als op t.v? Met brancards hier en daar en artsen zittend op hun patiënten om ze te reanimeren, terwijl de ambulancebroeders ze rennend door de gangen naar de traumakamer rijden.

‘Hoi, ik ben de coassistent van de Interne Geneeskunde,’ kwam er een piepend gekraak uit mijn mond, toen ik eenmaal bij de aanmeldbalie van de SEH stond. Een Marokkaanse man achter de balie keek mij met een brede glimlach aan en zei: ‘Kom binnen kind. Welkom!’ De arts-assistent van de Interne zat al achter een computer hard statussen door te nemen en tussendoor zijn pieper op te nemen. ‘Hoi, ik ben Doa. De co van de interne,’ stelde ik mezelf voor aan hem. ‘Goed, ga alvast zitten! Meld je aan op een computer. Ik leg je zo alles uit.’ En dat deed ik. Ik ging braaf mij aanmelden op een van de computers en wachten.

Tussendoor kwamen verpleegkundigen mij vragen of ik een astrup kon prikken bij een patiënt en natuurlijk moest ik met “Nee” antwoordden, want dat mocht ik nog niet doen zonder toezicht de allereerste keer. Ik voelde mij continue bekeken door de verpleging en andere arts-assistenten alsof ze zich afvroegen waarom ik niks aan het doen ben en rondjes aan het draaien ben op mijn stoel.

Anderhalf uur later, duizelig van het rond gedraai en alle drukte op de SEH, had de arts-assistent eindelijk tijd voor mij. ‘Kom, ik ga je even rondleiden.’ Een rondleiding van niks. Amper een half minuut heeft het geduurd. Maar hij kon er ook niks aan doen dat het zo druk was.

Aan het eind van mijn avonddienst, dat ondertussen een nachtdienst was geworden, werd mij duidelijk dat je op de spoed niet gegarandeerd bent van een computer. Zodra je weg bent naar een patiënt wordt je computer door een ander ingenomen. Ook werd mij duidelijk dat patiënten nogal flink om je tenen kunnen gaan staan als ze te lang moeten wachten, je de patiënten absoluut niks te eten en te drinken mag aanbieden omdat ze nuchter moeten blijven en most important, dat je soms hard aan de witte jas van de arts-assistent moet trekken, omdat je patiënt anders uren kan blijven wachten totdat je hem kan overleggen.

‘Het zit erop. Dankjewel voor je hulp. Tot morgen,’ zei de arts-assistent aan het eind van mijn SEH-dienst. Half verdoofd nam ik afscheid van de verpleegkundigen, arts-assistenten van de chirurgie, neurologie en alle andere goede mensen die daar rond liepen. En wanneer ik bij mijn kluisje sta, mij heb omgekleed en mijn spullen in mijn rugtas heb ingepakt, besefte ik mij dat ik het overleefd had. En dat het achteraf toch allemaal wel meeviel.

Nu, na zoveel SEH-diensten verder kan ik zeggen dat het een van mijn lievelingsplekken in het ziekenhuis is geworden. Het gezoem in je oren van alle piepende apparatuur en de stilte die je opeens overvalt elke keer als je de SEH verlaat, alsof je net in een droom zat. Bloed, zweet en tranen op je witte jas die je aan het eind van de avond (of begin van de nacht) mag uittrekken. En al die patiënten, die een indruk bij je achterlaten. Het leuke SEH-personeel die je altijd weet op te fleuren. Het gevoel, echt al een soort van dokter te zijn. Dat maakt de SEH, voor mij, de meest leuke plek in het ziekenhuis.