#Driewensen

‘Stel je eens voor, dat je drie wensen mag doen. Wat zou je dan wensen?’ vroeg ik haar. Ze keek mij voor een paar milliseconden vluchtig aan en wierp vervolgens haar blik weer verlegen naar de grond. Ze haalde haar schouders op en schoof haar handen onder haar benen. ‘Ik snap het. Het is ook een lastige vraag,’ probeerde ik haar gerust te stellen. Of moed in te spreken. Ik weet niet zo goed wat ik probeerde.

Maar die vraag was belangrijk om te stellen, zodat ik een inschatting kon maken over wat er speelde in haar hoofd. Welke interesses en dromen ze heeft of nog heeft na alles wat ze heeft meegemaakt. Na een ongemakkelijke stilte besloot ik de andere vragen te stellen. Volgens het rijtje. Allemaal even lastig, confronterend en vluchtig beantwoord door haar met een snelle knik of een zachte gefluister van twee á drie woorden.

Ik moest mij inhouden om niet op te staan het jonge meisje te knuffelen en probeerde mijn meest professionele houding aan te nemen, zodat ze niet zou merken dat ik medelijden had. Ik wilde haar niet een ongemakkelijk gevoel geven of het idee geven dat ik haar alleen maar wil helpen, omdat ik haar zielig vind. Ik bleef de vragen door stellen, ondanks dat ik soms geen antwoord kreeg. Maar haar verlegen, sombere en ‘het-liefst-willen-wegvluchten’ houding, maakten mij boos. Niet op haar, maar op de wereld.

‘Wat heb je toch allemaal meegemaakt meisje?’ wilde ik haar vragen. Maar het bleef bij een stem in mijn hoofd en een onbeantwoorde vraag. Waarschijnlijk had ze er sowieso geen antwoord op gegeven. Een ding was ik wel wijzer geworden van het gesprek, maar begreep er eigenlijk niets van. Het magere, tengere, kwetsbare meisje vond zichzelf te dik. Ik voelde mij een olifant naast haar, zo mager was ze.

‘Hey, ik ben door al mijn vragen heen. En volgens mij begin jij ook moe te worden. Dus laat mij jou terugbrengen naar de afdeling,’ zei ik. Ze knikte en stond op. Toen we samen naar de afdeling liepen, gaf ik haar een gemeend compliment: ‘Ik vond dat je het heel goed hebt gedaan, want ik weet hoe lastig het voor je is. Dapper van je dat je met mij erover wilde praten.’ Ik merkte toen pas hoe angstig en terughoudend ze eigenlijk was en liep het liefst een meter voor mij of achter mij.

Ik nam het niet persoonlijk. Het leven kan soms erg onredelijk zijn. En de een kan er beter mee omgaan dan de ander. Ze heeft mij wel aan het denken gezet. Ik meende ook wat ik zei, toen ik haar probeerde gerust te stellen met ‘Het is een lastige vraag.’ Want dat is het inderdaad. Als ik een goede dokter wil worden, moet ik dezelfde vragen die ik aan mijn patiënten stel ook aan mezelf durven vragen. Hoe confronterend ze ook zijn.

Ik weet niet wat ik zou wensen, als ik nu drie wensen had. En ik weet eigenlijk niet of ik dat wist toen ik zo jong was als haar.

#Snijzaal

‘Krijgen jullie ook anatomie lessen?’ vroeg ik aan de neuropsychologie stagiaire. Ze knikte, drukte haar bril verder op de brug van haar neus en tikte verder op haar computer, terwijl ze mij aankeek: ‘Ja, maar alleen van de hersenen. De hersengebieden, de 12 hersenzenuwen enzovoort.’ ‘Gaaf!’ reageerde ik enthousiast. Ze vertelde daarna verder dat ze ook in de hersenen mocht snijden. Echte mensenhersenen. ‘Ik dacht alleen dat geneeskunde zulke gekke dingen bevatte,’ giechelde ik.

‘Ja, want jullie moeten al in het eerste jaar de snijzaal in toch?’ vroeg een andere neuropsychologie stagiaire. Ik draaide met mijn stoel haar kant op en zei: ‘Klopt. Eigenlijk al in de eerste week.’

Ik kan het mij herinneren alsof het gisteren was. Het was Ramadan en ik was aan het vasten. De dag ervoor hadden ze ons geadviseerd erg goed te ontbijten of te lunchen voor je de snijzaal ingaat. Dus ik had die ochtend, voor de zon weer op kwam, mij flink zitten volproppen met brood.

De grote witte labjassen die wij aangereikt kregen in de snijzaal, zwom ik bijna in weg en de geur van de lijken is nog vers in mijn neus gegrift. Ik kan het nu nog ruiken als ik er aan denk. Veel medische studenten gingen in die eerste week al van hun stokkie. Ze trokken blauw weg, kregen onwijs grote pupillen en voor je het wist hoorde je iets op de grond neerploffen. Vervolgens werden ze dan door de professor of een van de studenten wakker geschud en probeerde de rest van de groep zijn lach in te houden.

‘Heb je weleens de hele hersenen in je handen vastgehouden?’ vroeg ik aan de stagiaire neuropsychologie. ‘Ja, best zwaar die dingen.’ Zwaar zijn ze zeker. Daar kwam ik achter, tijdens het themablok Neurologie.

‘Pas op dat je het niet laat vallen, want het ziet er zo wel stevig uit, maar als het valt spettert het alle kanten op,’ had de professor ons nog even gewaarschuwd voor de les begon. Ik kon er niets aan doen, dan mij dat beeld voor te stellen en heb toen die hersenen vastgehouden alsof mijn eigen leven ervan afhing. Daarna heb ik de halve stad enthousiast, met armgebaren en al, lopen vertellen dat ik mensenhersenen vast heb gehouden, niet beseffend dat ze mij aankeken alsof ik een of andere gek was. Het is gewoon heel bijzonder om het van zo dichtbij te mogen zien en vasthouden.

Tijdens mijn minor, kreeg ik zelfs mijn eigen hoofd. Een echte lijkenhoofd. Dat was wel even slikken. Toch anders dan een heel lichaam met het hoofd bedekt. Alleen een hoofd, was minder aangenaam om naar te kijken. Dan vraag je jezelf sterk af, wie die personen waren. Wat ze deden in het leven. En wat voor helden het eigenlijk zijn, dat ze hun lichaam ter beschikking stellen voor de wetenschap.

#PerfectReality

‘Do,’ hoorde ik iemand achter mij mijn naam roepen. Ik keek om en zag een oud collega. ‘Hey,’ mompelde ik, half verstopt onder mijn dikke sjaal. ‘Dat is lang geleden.’ Ze knikte. ‘Klopt! Hoe gaat het? Je hebt het echt voor elkaar hé!’ zei ze. Ik keek haar onbegrepen aan en trok mijn wenkbrauw vragend op. ‘Je blog! Ik herinner mij van vroeger dat je altijd wilde schrijven. Doe je goed hoor. Ik zou dat echt niet kunnen naast mijn studie. Geneeskunde, deed je toch?’ Ik forceerde een glimlach, die ze toch niet onder mijn sjaal kon zien en knikte.

Ik vond het erg lief van haar, die complimenten, maar er was natuurlijk niets van waar. Ik heb het nog lang niet gemaakt en heb helemaal niets voor elkaar. Het kan achteraf allemaal beter, laat ik het zo zeggen.

Voor de buitenwereld lijkt het soms of bepaalde mensen, vooral op social media, het leven makkelijk aan kunnen. Misschien is dat ook wel zo. Ik kan alleen vanuit mijn eigen spreken en ik weet, dat ik vaak tegen harde muren aan bots, mijn schedel bijna breek over beslissingen die ik niet helemaal overtuigd kan maken, maar het voor andere mensen lijkt alsof het mij allemaal simpel afgaat.

That’s not true. Ik heb de nodige vertraging opgelopen tijdens mijn studie, ik heb het schrijven jaren laten liggen en heb eigenlijk nooit het idee gehad dat ik ‘slecht’ bezig was. Maar de laatste tijd, denk ik er opeens heel veel aan. Achteraf is alles makkelijker praten natuurlijk. Misschien moet ik maar gewoon niet zo zeuren en denken dat alles met een reden gebeurd en alles gaat zoals het moet gaan. We hebben niet alles zelf in de hand.

Hoewel ik soms mezelf gangster voel, omdat ik denk mijn leven de baas te kunnen zijn. Totdat iemand uit een of ander vergeten hoek komt kruipen en mij vraagt: ‘Hey Do, enne weet je al wat voor dokter je wilt worden!?’ Het liefst trap ik dan diegene ‘per ongeluk’ keihard op zijn tenen en ren weg, terwijl ik nog een ongemeend ”sorry” naroep. Waarschuw mij even, voor je confronterende vragen stelt.

Wat ik probeer te zeggen is, denk alsjeblieft niet dat je een mislukkeling bent omdat mensen je dat akelige gevoel geven. Het ligt dan vaak eerder aan hen. Zit er alsjeblieft niet mee dat het nu even niet gaat met school, of dat je de verkeerde keuzes hebt gemaakt. Kom van die ellendige bank af, stop met scrollen over de tijdlijn van anderen en hun zogenaamde ‘perfecte’ leventje en dan zul je zien dat het beter zal gaan. Want de waarheid is, dat NIEMAND het compleet voor elkaar heeft. Dat zelfs de grootste professoren, presidenten, beroemdheden en noem maar op hun onzekerheden hebben.

We zijn desnoods allemaal mens..

#Depressie

’27 procent van de geneeskundestudenten heeft weleens depressieve gedachten. Elf procent hiervan denkt soms aan zelfmoord,’ las ik net op nu.nl. Gek genoeg, verbaas ik mij hier niet echt over.

Ik krijg vaak de vraag, van mensen die de blog lezen en dromen van de studie Geneeskunde of de studie ”zwaar” is. Ik weet nooit zo goed wat ik hierop moet antwoorden. Zwaar in de zin van wat? Dat je al die anatomie maar continue blijft vergeten, ziektebeelden door elkaar haalt, of de stof niet kan bijbenen?

Lichamelijk zwaar misschien? Vooral tijdens je coschappen. Elke dag vroeg opstaan en tot laat in de avond nog doorwerken en hopen dat je nog een beetje tijd over houdt om te sporten, als je tenminste niet moet studeren voor die verrekte MAK-toetsen?

Of zwaar in de zin van mentaal zwaar? Dat je ooit in je carrière waarschijnlijk de dood van een patiënt op je geweten zult nemen, want dat hoort bij het vak. Soms gaat er iemand dood en ga jij je afvragen of het jouw schuld is.

Zwaar in de zin van, concurrentie misschien? Geneeskunde studenten staan er een beetje om bekend dat het de ”betweterige” type studenten zijn. Dat hoor ik tenminste terug van studenten die geen Geneeskunde studeren. En vaak merk ik dan, dat ik op een betweterige manier, in de verdediging schiet. Sh*t, misschien hebben ze toch gelijk over ons (de geneeskunde student).

Ik denk vooral dat de studie zwaar is, in de zin van angst en stress. Angst dat je het allemaal niet aan zult kunnen. Angst dat je de foute diagnoses gaat stellen. Angst dat je collega’s je niet zullen respecteren omdat je een drol van een dokter blijkt te zijn. En de stress die daar bij komt kijken.

Als we eerlijk moeten zijn, denk ik dat depressie ook bij andere studenten voorkomt. Maar een geneeskundestudent met depressie!? Pff, daar praten we niet over..want jeetje, oh wee als mensen het idee krijgen dat je het allemaal niet aan kunt, wat voor dokter ga je dan straks wel niet voorstellen?

Er hangt een soort taboe op depressie bij de geneeskundestudent, en waarschijnlijk ook bij de dokters onderling. Maar, ik als arts in spe, zou echt beter moeten weten. Dat depressie, niet iets is wat je weg moet stoppen. En zeker niet als je ook nog eens suïcidale gedachten erbij hebt. Dus, misschien wordt het tijd collega’s dat we die taboe gaan verbreken. Praat met elkaar. Want we kunnen elkaar alleen helpen als we weten dat er een probleem is.

#Vluchtelingen

“Mag ik nog heel even jullie aandacht voor jullie allemaal opstaan,” riep een van de arts-assistenten aan het einde van de avond overdracht. “Er ligt een jongeman, Koerdische vluchteling uit Irak, met buikpijn klachten op mijn afdeling. Hij verstaat en spreekt geen woord Nederlands noch Engels.” Aandachtig luisterde ik naar zijn verhaal en wat de specialisten hem adviseerden.

Hij had geen flauw idee wat precies de klachten waren van deze patient, wanneer de klachten begonnen, of hij dit eerder heeft gehad en allemaal andere dingen die een dokter graag wilt weten voor er wordt over gegaan op aanvullend onderzoek. Ik besloot na de overdracht de arts-assistent te vragen of ik hem kon helpen met vertalen. Een van mijn collega coassistenten vroeg mij of ze mee kon. “Ik vind andere talen altijd geinig om te horen,” zei ze. Ik vond het prima.

Nadat de specialisten, arts-assistenten en coassistenten opstonden om naar huis te gaan of terug te gaan naar de afdeling liepen mijn collega en ik naar de arts-assistent toe die een van de specialisten aan het opwachten was. “Hey, ik kan wel met je mee naar die patient uit Irak. Ik spreek arabisch,” stelde ik aan hem voor. Hij keek mij een paar seconde aan alsof ik een lompe voorstel maakte. Ik begon mij een beetje ongemakkelijk te voelen erdoor, maar uiteindelijk antwoordde hij: “Ja, dat is wel handig. Maar ik moet nog even wat bespreken over een ander patient met een van de specialisten.” Ik keek mijn collega coassistent aan en zei: “Dan kunnen wij toch alvast gaan. Ik kan je bellen als ik nuttige informatie eruit heb kunnen halen.” Hij vond het goed en samen met de andere coassistent liepen we naar de afdeling.

Op de afdelingen vroegen we aan een van de verpleegkundigen waar de patient lag. Ze wees ons naar de isolatie kamer. Ze zag ons gezichten geloof ik wit wegtrekken en stelde ons gerust dat we geen beschermende kleren aan hoeven te doen zolang we de patient niet aanraken.

Bij de kamer aangekomen keken we eerst voorzichtig om het hoekje, de patient leek te slapen. Maar wanneer mijn collega voorzichtig aanklopte, deed hij zijn ogen open en keek ons alert aan. We liepen samen naar binnen en ik groette de jongeman in het arabisch: “Salamoe alailoem.” Zijn gezicht leek even op te lichten en hij groette vriendelijk terug. Het viel ons op dat zijn kleren vies waren van de bloedvlekken.

Ik stelde hem een paar vragen en vertaalde ondertussen aan mijn collega wat hij allemaal vertelde. Het werd ons snel duidelijk wat zijn klachten waren: buikpijn, in aanvallen, misselijkheid maar geen braken, geen diarree of obstipatie, niet samenhangend aan maaltijden, bewegingsdrang, geen ziekten in de familie, drinkt geen alcohol, gebruikt geen drugs, hardnekkige roker.

“Hoe komt u aan al dat bloed op uw kleren?” vroeg ik hem als laatst. “Ik heb de infuus er boos uitgetrokken omdat ik weg wilde gaan. Ik wil terug naar het kamp. Ze hebben mij hier in een hok gestopt alsof ik een dier ben, niemand komt even vragen hoe het gaat. Het lijkt wel alsof ze mij vergeten zijn.”

Ik hoorde aan zijn stem dat hij emotioneel raakte. “Niemand is u vergeten,” probeerde ik hem gerust te stellen. “De dokters zijn hard bezig met u te helpen. Maar omdat ze niet met u kunnen praten in een taal dat u verstaat, gaat het nu allemaal wat langzamer. En u ligt in dit kamertje omdat wij niet weten of u mogelijk ziek bent geraakt door een bacterie. Dus uit bescherming voor andere patienten en het personeel, ligt u in een afgesloten kamertje.” Hij knikte begripvol. “Ik ga uw verhaal zo terugkoppelen aan de dokters en dan zal u snel verder geholpen worden,” voegde ik nog eraan toe.

Wanneer mijn collega en ik weer willen vertrekken vroeg hij of ik ook kan doorgeven dat hij graag even naar buiten wilt om te roken. “Roken is slecht voor uw gezondheid,” zei ik op een betweterige toon waar ik mij zelf ook aan ergerde. “Weet ik, maar op dit moment is het mijn enige medicijn tegen de heimwee.”

#Burqa

Ik zag haar van een verte al aanlopen. Van top tot teen in het zwart gesluierd. Alleen haar ogen niet verborgen voor de wereld. Ik zag hoe mensen afkeurend naar haar keken en stappen naar achteren deinsden als ze langs ze liep. De angst was letterlijk van hun lichaamshouding af te lezen. Maar haar angst viel alleen mij op. Want ik keek haar echt aan. Zocht oogcontact met haar, maar ze bleef onschuldig naar de grond kijken. Het verscheurde mijn hart dat, mijn eigen zuster, mij niet herkende als een van haar. Als een allochtoon, een moslima, maar misschien het meest belangrijkst een VROUW. Kwam het door mijn gescheurde spijkerbroek? Of mijn leren jas, dat ze mij niet herkende?

Ik wilde haar duidelijk maken dat ze niet bang hoefde te zijn voor mij, dat mijn ogen haar niet veroordelen, dat ik de mens onder die sluier zie. Ik hield vol en bleef haar ogen volgen tot ze eindelijk oogcontact met mij maakte. Ik greep mijn kans en glimlachte naar haar. Ze keek verschrokken alsof ze zojuist iets wonderbaarlijks had meegemaakt. Ik dacht te menen dat ze fronste, maar ik bleef glimlachen en groette haar. Haar ogen ontspanden, maakten de vriendelijkste buiging die ik ooit bij een mens had gezien en ze groette terug. Heel even hadden wij contact. Vredig menselijk contact.

Ik weet dat het veel mensen afschrikt. Dat zo een sluier veel negativiteit oproept bij mensen. Maar ik heb dat ook met clowns. En dit is niet eens grappig bedoeld. Ik ben serieus. Ik vind clowns eng, omdat ik niet weet hoe ze eruit zien onder al dat schmink. Maar moeten we alles verbieden wat we eng vinden?

Ik weet niet precies wat ik voel. Hoe ik over dit alles moet denken waar ons rechtssysteem vandaag toestemming voor heeft gegeven. Ergens begrijp ik het wel. Maar ik kan het niet helpen om mij er enorm verdrietig over te voelen. Hoe verrot moeten deze vrouwen zich nu wel niet voelen? Het lijkt mij verschrikkelijk om niet meer te kunnen staan en gaan waar je wilt om een stuk stof. Dit doet pijn.

Ik weet niet hoe het met de rest zit. Maar als ik straks dokter ben, maakt het mij niet uit of je gesluierd bent, als zwarte piet geschminkt bent en zelfs als je een clown bent, zal ik mijn angst voor je overwinnen om je te helpen. Want iedereen verdient goede zorg. En het idee dat een gesluierde vrouw niet meer welkom is in het ziekenhuis, geeft mij een heel naar gevoel. Dat staat niet in de artseneed.

#IkKAPERMEE

‘Ik ben er helemaal klaar mee,’ app ik Sem. Sem leest mijn bericht en geeft mij de blauwe vinkjes. Ik staar een beetje naar het plafond en hou mijn telefoon in de gaten. Een half uur later appt ze terug met: ‘Ik ook.’ ‘Tazz, ga je niet vragen waar ik klaar mee ben?’ Ik hoef Sem vaak niet al te veel te zeggen. Het ging waarschijnlijk toch weer over school of het leven in het algemeen.

Ik ben wel altijd positief over dingen en vind mijn opleiding ontzettend leuk. Maar soms kom je dingen tegen, waar je gewoon niet vrolijk van wordt. En dan ga ik mezelf afvragen of het allemaal de moeite waard is. Al die opofferingen die je gemaakt hebt, al die jaren dat je gezwoegd hebt om die coschappen te bereiken en dan word je alsnog afgekat door je collega’s. Voor de buitenwereld ben je een held, maar in het ziekenhuis ben je de coassistent. En geloof het of niet, echt super weird, maar dat is geen goede positie. Je staat onderaan de ladder. Alsof mensen haast vergeten dat je voor dokter aan het studeren bent en daar even voor de lol bent om in de weg te staan. Bizar hoor!

Ach, het hoort er gewoon bij. ‘Morgen denk je er weer anders over en praat je over hoe geweldig je coschap was Do, dus kap met zeiken,’ appt Sem. Ik stuur haar een drol smiley, typ in hoofdletters dat ik ermee zal kappen en gooi mijn telefoon aan de kant. Ze heeft gelijk. ‘Je bent al zo ver gekomen. Nog even en je bent klaar,’ fluister ik mezelf moed in.

Ik zou wel gek zijn om nu ermee te kappen. Soms denk ik er even aan en lach dan vervolgens mezelf keihard uit, omdat ik geen flauw idee heb wat ik anders zou moeten doen met mijn leven.

Ergens vind ik het wel dapper als coassistenten, artsen of verpleegkundigen ermee kappen en iets anders gaan doen. Dan heb je echt lef. Bovendien lijkt het soms, sowieso in mijn cultuur, haast alsof je een moord hebt gepleegd als je met Geneeskunde stopt. Ik hoor het mensen al roepen. ‘Ben je gek!! Duizenden mensen zouden willen ruilen met je en jij stopt. EGOÏST.’ Over andere studies zijn ze vaak wat milder: ‘Ah boeiend, genoeg andere studies. Volg je hart, doe waar je gelukkig van wordt’ en zulk soort dingen hoor je ze dan zeggen.

Dus om de vraag van een paar lezers te beantwoorden of ik ooit eraan heb gedacht te stoppen met Geneeskunde en hoe ik mezelf blijf motiveren, is het volgende mijn antwoord: Ja. Dat heb ik zeker. Dat heeft elk geneeskundestudent wel eens een keer. Maar ik heb mezelf ooit een plan B aangepraat. Mijn plan B is plan A voltooien. En dat is dokter worden.

Ik raap mezelf op van mijn kamer vloer, neem een bonbon uit de doos die ik voor de rest van de familie in mijn kamer verstopt heb en haal diep adem. Tijd om te gaan studeren, Do.

#HotBrownie

‘Weetje wat gek is,’ zei ik tegen Sem en klemde mijn arm tussen de hare. We liepen samen door de stad te slenteren en waren opzoek naar iets warms om te eten. ‘Nou?’ vroeg Sem. ‘Toen ik klein was, dacht ik altijd dat ik op 25-jarige leeftijd getrouwd zou zijn en kinderen zou hebben, of in ieder geval afgestudeerd.’ Sem moest erom lachen. ‘Ja, en kijk jou nu. Nog steeds een loser,’ pestte ze mij.

Gek hoe het leven totaal anders gaat, dan je gepland hebt. Ik ben eigenlijk nooit iemand tegengekomen die precies zijn leven zo heeft geleefd als hoe die het gepland had. Eigenlijk slaat het helemaal nergens op. Wie heeft überhaupt die regels bedacht, dat je voor een bepaalde leeftijd getrouwd moet zijn of kinderen moet hebben. Of afgestudeerd moet zijn. Het lijkt wel, alsof mensen het leven zien als een soort leidraad en als iemand daarvan afwijkt gelijk voor raar of een loser wordt aangeschreven.

Als je het mij vraagt, zeuren we gewoon teveel. Sommige mensen hebben niet dat geluk om te kunnen zeggen: ‘Gek, ik had mijn leven op mijn 30ste heel anders gepland.’ Puur, omdat ze nooit de 30 jaar halen. Er bestaan ziektebeelden, waarbij je niet ouder wordt dan 35. Zoals bijvoorbeeld Cystic Fibrosis.

Ik heb al een paar van die patiënten mogen ontmoeten. Ook tijdens mijn kinder coschappen toen ik tijdens het visite-rondje bij een 16-jarig meisje aan haar bed stond, met prachtig dik lang haar. Van die weavy engelachtige lokken waar ik alleen maar van kon dromen vergeleken met mijn pluizige bol. Vooral die dag, leek mijn haar als een uitgekotste en in elkaar geslagen rioolrat.

Ze lag op haar bed haar haren te kammen als een doodnormaal tienermeisje. Leuk, jong en nog vol leven. Maar het idee dat ze al de helft van haar leven waarschijnlijk al geleefd had, gaf mij kippenvel. Ik had haar veel dingen willen vragen, over bijvoorbeeld hoe zij de toekomst voor zich zag en of ze weleens dacht aan trouwen en kinderen, ook al is de kans groot dat ze maar 35 jaar oud wordt. Maar ik durfde niet. Ik vond dat ik mij dan teveel met andermans zaken bemoeide en brutaal was.

Toen ik haar kamer verliet om weer naar de volgende patiënt te gaan, besefte ik mij dat voor haar hetzelfde geldt als voor iedereen. Namelijk dat morgen niet beloofd is. Sterker nog, dat de volgende seconde alleen al niet eens beloofd is. Het maakte het leven opeens nog veel korter.

‘Do,’ hoorde ik Sem zeggen. Ze drukte mijn arm tegen zich aan en vroeg waar ik was met mijn gedachten. Ik haalde mijn schouders op en wees naar de Burger King. ‘Laten we twister fries gaan eten. Anders lopen we over twee uur nog rond met een leeg maag.’ Sem knikte.

Toen we in de rij stonden, keek ik Sem aan en zei zweverig alsof ik een filosofische ondekking had gedaan: ‘Laten we ook een hot brownie nemen en die als eerst eten en daarna pas die twister fries.’ Ik had verwacht dat Sem mij een klap zou verkopen en zou zeggen dat ik niet zo raar moest doen. Maar gek genoeg vond ze het een goed idee. ‘Wie heeft sowieso verzonnen dat het toetje pas na de maaltijd gegeten moet worden?’ vroeg ik haar. Ik vind het gewoon niet logisch.

Kortom, wat ik wil zeggen is. Leef je leven, zoals jij dat wilt. Met niet al teveel voorgekauwde en geplande dingen. Want het leven is te kort. Veel korter, dan ze je ooit vertellen.

#ChainSmokers

Een dun klein tenger oud vrouwtje zat voorovergebogen, haar knieën over de rand van het onderzoeksbankje en hapte continue naar adem. Ik begon mijn vragen aan haar dochter te stellen, omdat ik merkte dat ik de patiënte er moe mee maakte. ‘Hulpademhalingsspieren +,’ krabbelde ik snel in mijn notitieblokje. Een teken dat je erg benauwd bent.

‘Ik ga heel even naar uw longen luisteren, mevrouw. Niet schrikken, ik ga achter u staan,’ zei ik tegen de patiënte. Ze knikte en ik plaatste mijn koude stethoscoop op haar rug en ging alle longvelden af. Zoals gewoonlijk, vertellen we de patiënt niet wat we horen voor we overlegd hebben met ons collega’s en een röntgenfoto maken.

Nadat de röntgenfoto bekend was, en er inderdaad vocht achter de longen werd gezien, blijkbaar als gevolg van de longtumor waarmee ze al bekend was, schakelden we de longarts in om een pleurapunctie te komen doen om het vocht eruit te zuigen.

Als ik terugga om het de patiënte te vertellen, vang ik iets op van de discussie die ze had met haar dochter. ‘Je moet echt stoppen met roken ma, zoals dat meisje net zei. Kijk wat het met je doet.’ Haar dochter leek bezorgd en haar moeder keek er verslagen bij. ‘Ach kind,’ haperde ze. ‘Ik word niet beter als ik stop met roken. Die tumor gaat niet weg.’ Daar had ze gelijk in. Ik ging naast de patiënte op de onderzoeksbank zitten en hield haar hand vast. Ze kneep erin en glimlachte lief naar mij. ‘Ik zei het net niet om u te pesten,’ begon ik. ‘Maar omdat u naast de longtumor dat andere longziekte heeft, COPD. Roken irriteert u longen en activeert die ziekte opnieuw,’ legde ik uit. ‘Ik weet het,’ zuchtte ze. Ik vertelde haar dat de longarts zo komt en dat we het vocht uit de longen gaan zuigen, zodat de benauwdheid verminderd. ‘Dus die benauwdheid komt nu niet door het roken,’ vroeg ze half buiten adem. Ik glimlachte en wilde geen antwoord geven op haar vraag dus ik zei dat ik zo terug zou komen als de longarts er ook was.

Van de longarts mocht ik assisteren. Hij prikte de punctie en ik mocht de naalden met het vocht uit de longen leegspuiten in een emmer. ‘Bij 1 liter vocht stoppen we,’ zei de longarts. Ik probeerde mijn enthousiasme te verbergen en niet overdreven te reageren dat we zojuist 1 liter vocht van achter haar longen hadden verwijderd. Ik vond het niet netjes tegenover de patiënte, maar wilde het van binnen uitschreeuwen omdat ik het zo bizar vond. Geen wonder dat ze zo benauwd was.

‘Zo, wat een verademing,’ zei de patiënte nadat we klaar waren. Ze was stukken minder benauwd. ‘Nu kan ik weer lekker een peukie roken,’ grapte ze. Helaas wel een grapje die ze meende.

#GroteSchoenen

‘Ik ben op zoek naar Jayden,’ riep ik door de gang van de kinderpoli. Ik zag een klein tenger mannetje van vijf jaar oud die druk met legoblokjes aan het spelen was opkijken. Vervolgens wierp hij een blik op zijn moeder en ging ongestoord verder spelen alsof er net niet geroepen was. Ik glimlachte naar zijn moeder en gaf haar een hand. ‘U kunt met me meelopen,’ zei ik en wees haar de weg. ‘Kom, Jayden,’ riep ze naar haar zoon. Jayden bleef doorspelen. ‘Jayden, nu komen,’ riep ze weer. Dit keer klonk haar stem streng en luider. Jayden trok zich er niets van aan. ‘Jayden, ik heb in die andere kamer ook speelgoed. Je kunt daar verder spelen,’ zei ik. Jayden sprong eindelijk op en holde achter ons aan naar de spreekkamer.

In de spreekkamer probeerde ik met Jaydens moeder een gesprek te voeren over wat er precies met hem aan de hand was. Hij scheen meerdere malen achter elkaar neus- en keelverkouden te zijn. Jayden speelde zo rumoerig met de auto’s en legoblokjes, dat zijn moeder en ik op een gegeven moment schreeuwend het gesprek moesten voeren.

Toen ik klaar was met mijn vragen te stellen en genoeg informatie van de moeder had verzameld om een differentiaal diagnose op te stellen vroeg ik Jayden of hij op het onderzoeksbankje kon komen liggen. ‘Ik wil je gaan onderzoeken,’ legde ik uit. Zijn moeder hielp hem met zijn broek en shirt uit te trekken en Jayden sprong vervolgens vrolijk op de onderzoeksbank. ‘Ik ga even naar je hart en longen luisteren, doet geen pijn,’ legde ik hem voorzichtig uit. Terwijl ik mijn stethoscoop op zijn borst plaatste, begon Jayden keihard te giechelen. ‘Dat kietelt hoor!’ Ik glimlachte naar hem. ‘En nu even naar je buik luisteren,’ en ik legde mijn stethoscoop op zijn buik. ‘Oh, ik hoor je boterhammen van vanmorgen,’ grapte ik. Hij keek mij met een opgetrokken wenkbrauw aan en zei: ‘Ik heb roti gegeten, geen boterhammen. En cola!’ Zijn moeder begon verlegen te lachen. ‘Ja, normaal krijgt hij wel boterhammen als ontbijt hoor. Maar vandaag was een chaotische dag.’

Ik knipoogde naar Jayden en zei: ‘jij hebt geluk hoor, ik heb droge boterhammen met pindakaas gegeten vanmorgen.’ ‘Bah! Pindakaas,’ riep Jayden.

Na overleg met mijn supervisor, stuurde ik Jayden en zijn moeder weg om bloed te prikken. De uitslag zouden we dan telefonisch bespreken. Na het bloedprikken kwam ik Jayden op de gang tegen. Hij was aan het spelen op de glijbaan. Toen hij mij zag, riep hij hard: ‘dokter, ik ben geprikt!’ Ik liep naar hem toe en hij liet mij zijn pleister zien. ‘Stoer! Je hebt niet gehuild toch?’ Hij schudde zijn hoofd en zei: ‘Nope, grote mannen huilen niet.’ ‘Oh, maar grote mannen spelen toch ook niet op glijbanen. Ben je daar niet te groot voor Jayden?’ Hij keek mij fronsend aan en zei: ‘Nee, jij bent daar te groot voor met je grote ko…’ Zijn moeder en ik keken elkaar met grote ogen aan. Hij slikte gelukkig dat woord net op tijd in en zei: ‘…schoenen.’ ‘Volgens mij wilde hij wat anders zeggen,’ lachte ik naar zijn moeder. Zijn moeder glimlachte verlegen en knikte.