#KersOpDeTaart

‘Hoeveel vingers steek ik op,’ vroeg ik aan de mevrouw die op het onderzoeksbankje lag. Ze zag er verwaarloosd uit. Haar haren leken dagen niet gekamd, haar kleren waren vies en als haar zoon er niet bij was geweest en het verhaal die hij teruggekoppeld had gekregen van de thuiszorg mij niet had verteld, had ik mezelf er voluit van overtuigd dat ze op straat had gelegen een aantal dagen.

De arts-assistente die mij begeleidde had plaats genomen achter de computer en tikte het verhaal en lichamelijk onderzoek mee, zodat we tijd zouden winnen. Het was nogal druk op de spoed eisende hulp en zo zou het net iets sneller gaan. De vrouw bleef verward naar mijn vingers kijken. ‘Kunt u het plafond aanwijzen?’ besloot ik haar te vragen. Een iets makkelijkere vraag om uit te zoeken of ze begreep wat ik allemaal zei en simpele opdrachten kon uitvoeren.

‘Ma, wijs eens het plafond aan,’ herhaalde haar zoon mijn vraag. Ze keek mij twijfelachtig, verward maar met een vriendelijke glimlach aan en ik had zo erg met haar te doen. Ik kon het niet helpen om mij in te beelden hoe ze een aantal uren of misschien zelf dagen half verlamd op de vloer had gelegen. Angstig, rillerig en misschien zelfs hongerig. Heel even leek mijn hart te breken. Ik herhaalde weer de vraag en gaf haar even de tijd. Maar ze bleef mij onbegrepen aankijken, reikte haar hand naar mijn gezicht en begon mijn wang te strelen. Alsof ze mij jaren niet heeft gezien en nu vol ongeloof zat. ‘Nee lieverd, dat is mijn wang. Het plafond. Kunt u die aanwijzen?’ vroeg ik geduldig en deed haar hand voorzichtig weg.

‘Weet u wat dit is?’ vroeg ik haar, terwijl ik mijn pen die ik uit mijn jaszak haalde voor haar hield. Ze had er amper aandacht voor, haalde haar schouders op en reikte weer naar mijn gezicht. ‘Doet ze je aan iemand denken, ma?’ vroeg haar zoon. Ze keek hem aan, maar gaf er geen antwoord op. Ik had het idee dat ze ons niet begreep en niet kon praten om het ons te vertellen. ‘Normaal is ze helemaal niet zo,’ zei haar zoon vervolgens. Hij vertelde dat ze altijd lief, grappig en spraakzaam is en haar niet terug herkend. Inmiddels was de arts-assistente aangeschoven en voerden we verder het lichamelijk onderzoek uit. ‘Moeilijk instrueerbaar,’ tikte ik onder het kopje ‘lichamelijk onderzoek’ nadat we helemaal klaar waren. Maar instrueerbaar genoeg om milde krachtverlies aan een kant van het lichaam vast te stellen.

Nadat we overlegd hadden met de supervisor werd er besloten om aanvullend onderzoek te doen en de patiënte op de afdeling op te nemen om de afasie (het bovenbeschreven beeld van iemand die niet meer kan praten en/of taal verstaan) te analyseren en zo goed mogelijk te behandelen in de hoop op verbetering.

Een week (of twee/drie?) later was mijn spoeddienst voorbij en mocht ik weer op de afdeling staan. Tijdens het dagelijkse visiterondje kwam ik haar ook tegen. Ze leek mij niet terug te herkennen. Iets wat kan passen bij een beroerte. Of misschien had ik geen indruk gemaakt. Maar ze liep weer. Met een rollator, maar toch..ze liep! En als de kers op een taartje, voerde ze vrolijk in vloeiend Nederlands een praatje met een van de andere patiënten op de afdeling. Ze heeft geluk gehad. Of eigenlijk had ik geluk. Dat ik ondanks de ernstige beelden ook een keer een positieve verbetering in een van de patiënten kon zien.

#TweeKwaden

Pasen heeft sinds vorig jaar een bijsmaak gekregen voor mij. Het was niet meer een onschuldig christelijke feestdag met chocolade paaseieren en een vrolijk springende paashaas. Het deed mij nu vooral denken aan een patiënt. Ik kan mij nog goed herinneren hoe hij, in zijn kamer, de eenvoudige ziekenhuisstoel naast het raam had gezet en naar buiten zat te turen. De zon scheen fel op zijn dikke bos grijze haren. Onder zijn hemd stak een doorzichtig buisje, of beter gezegd een drain, en volgde een weg naar een blauw doosje met allemaal toeters en bellen waar ik verder geen verstand van had. Hij had het doosje op de grond tegen de stoelpoot aan gezet.

De longarts klopte zachtjes, met zijn knokkels, tegen de deur aan. Ik voelde mij bezwaard op erbij te zijn. Maar ook dankbaar. Drie mensen stonden nu voor de patiënt, in hun intimiderende witte jassen; de longarts, de arts-assistent en ik. Ik deed de deur achter ons dicht en de patiënt zette zichzelf rechtop in zijn stoel. Hij gaf ons een hand en bleef ons afwachtend aankijken. ‘Ik heb helaas geen goed nieuws voor u,’ begon de longarts. ‘Ik had gehoopt dat uw vrouw er ook al was, wilt u anders dat we terugkomen als uw vrouw er is?’ De patiënt keek ons verslagen aan, alsof hij al kon ruiken dat het niet goed was. Maar ergens had hij nog een klein sprankje hoop en die kwamen we nu van hem afnemen.

‘Nee, mijn vrouw kan er vandaag niet bij zijn. Vertelt u maar dokter.’ Er viel een korte stilte, daarna begon de longarts verder te vertellen: ‘De punctie laat inderdaad kwaadaardige cellen zien.’ De patiënt sloeg zijn hand voor zijn mond en bleef de longarts aankijken. Ik zag zijn ogen langzaam vochtig worden en voelde dat mijn ogen ook begonnen te branden. ‘U heeft longkanker,’ liet de longarts de bom uiteindelijk vallen. Voorzichtig, kort en vooral heel krachtig. Zo een lelijke ziekte, kan je niet mooi brengen. Hoe goed je er ook op oefent. Niet erom heen praten, niet meer de patiënt onnodig in spanning houden, maar zeggen waar het op staat zodat we verder kunnen denken.

‘En nu?’ vroeg de patiënt haperend. Hij probeerde zich groot te houden en zijn tranen te bedwingen, maar het lukte hem niet. Het leek alsof iemand mijn hart stevig vast greep en genadeloos dichtkneep. Ik kan veel hebben. Bloed, openliggende buiken en benen, gekraak van botten, maar een ding heb ik een grote zwak voor. En dat is mannen die huilen. Het breekt letterlijk mijn hart. De longarts vertelde hem wat het plan was, dat hij nu nog niet naar huis kan, omdat de thoraxdrain nog even moest blijven zitten tot hij compleet van zijn klaplong af was. Het punt was namelijk, dat deze patiënt een punctie kreeg van de longen nadat er op de longfoto iets werd gezien wat er niet hoorde. Een complicatie die daarbij kan optreden, is een klaplong. Een hele kleine kans, daar had deze patiënt het wel mee ‘getroffen’.

‘Maar, het is morgen Pasen. Kan ik niet naar huis en dan na Pasen weer terugkomen?’ vroeg de patiënt hoopvol. De longarts wierp een blik uit het raam, waardoor de patiënt zich naar de arts-assistent wendde, die haar mond opende om iets te zeggen, maar ze hield het bij een zucht en besloot stil te blijven. ‘Ik kan dat helaas niet goedkeuren. U heeft nog een drain en het is niet verstandig om u daarmee naar huis te laten gaan. Het spijt mij,’ zei de longarts gemeend. Zijn stem klonk machteloos met een vleugje teleurstelling in zichzelf. Alsof hij eigenlijk had willen zeggen: ‘Absoluut, u mag naar huis. Haal die drain er maar uit dames. Want wie weet, is dit misschien zijn laatste Pasen.’

#WannabeHeldin

‘Pff, eindelijk lunchtijd,’ zei mijn collega coassistente en nam tegenover mij plaats in de kantine. Ik sloeg mijn handen over elkaar heen en plaatste ze op de tafel om vervolgens mijn hoofd erin te begraven. ‘Zo, jij hebt er geloof ik geen zin meer in,’ grinnikte ze. ‘Nee, ik heb het helemaal gehad met de coschappen,’ mopperde ik en hield mijn hoofd verstopt. ‘Ik vraag mij af waar ik ooit aan begonnen ben.’ ‘Dat vragen we ons allemaal af,’ zei ze en propte een grote hap van haar brood in haar mond. ‘Maar, dit is jouw droom toch? Dokter worden. Dus kom op nou do,’ vervolgde ze met volle mond.

Ik ging weer rechtop zitten en keek om mij heen. Een paar tafels verderop zaten de arts-assistenten. Het tafeltje ernaast de verpleegkundigen en daarnaast een tafel waar de specialisten zaten. Het deed mij denken aan een Amerikaanse high school film. De tafel waar de specialisten aan zaten, was de cool kids tafel. Daar wilde je bij horen. Zo wilde je ook zijn. ‘Het duurt allemaal zo lang,’ klaagde ik en speelde met een stukje overgebleven komkommer op mijn bord. ‘Ja. Het duurt zeker lang. Maar we komen er wel. Ooit op een dag holt er een coassistent achter jou aan en maak je haar of hem aan het huilen,’ grapte ze.

Ik moest wel een beetje grimassen om die gedachte. Buiten het ziekenhuis hemelen mensen je op, omdat je voor dokter studeert. Maar in het ziekenhuis weten ze heel goed waar je plekje is. Op een krukje, helemaal onderaan de ladder. ‘Ik ga maar weer eens naar de Traumapoli,’ zuchtte ik, stond langzaam op omdat ik mij opeens tien jaar ouder voelde en nam mijn dienblad mee.

Op de Traumapoli werd ik door de gipsmeester gelijk gewezen naar de eerste patiënt. Ik wierp nog snel een blik op het computerscherm om te kijken waar de patiënt voor kwam voor ik naar het jongetje liep. ‘Joeri?’ vroeg ik en stak mijn hand naar een jongen van een jaar of acht die mij met grote grijsblauwe ogen verwonderd aankeek. ‘Hoe weet u mijn naam?’ stotterde hij. Ik trok mijn wenkbrauwen op en zei nonchalant: ‘Ach, dat staat gewoon in de compu-.’ Ik slikte mijn laatste woord in, omdat het jongetje mij bleef aankijken alsof ik een heldin was en ging maar snel verder: ‘Goed Joeri, het gips mag er denk ik wel af. Mijn collega komt zo nog even kijken. En je mag lekker weer alles doen met je arm. Maar niet weer gaan vechten hoor.’ Zijn blik ging van zijn moeder naar mij en van mij weer naar zijn moeder. ‘Hoe weet ze dat toch,’ fluisterde hij.

Als coassistent heb je evenveel geduld nodig als je patiënten. Soms moet je ellenlang in de wachtkamer wachten als een verloren puppy, omdat de patiënt je er niet bij wilt hebben. Soms moet je als een vergeten natte krant op een krukje in een donker hoekje gaan zitten en vechten tegen het gapen, omdat het nogal onprofessioneel overkomt. Soms loop je de marathon achter de arts-assistent aan en wandel je per ongeluk mee de wc in, omdat arts-assistenten ook moeten plassen maar je hem of haar niet uit het oog wilt verliezen.

Blunder, na blunder, na blunder. Maar dan heb je af en toe zo een ‘Joeri-momentje’. En dan weet je het weer. Ooit ben je een echte held(in), maar tot die tijd leer je nog even geduldig te zijn.

 

#ScarsAreForever

‘Hoe komt u aan dit litteken?’ vroeg ik de patiënte die languit op het onderzoeksbankje lag en streek over haar enkel waar het litteken zat. Ze vertelde hoe ze eraan kwam, zonder zich af te vragen waarom ik er zo nieuwsgierig naar was. Dat scheelt als je een witte jas aan hebt, mag je alles vragen aan mensen. Hoeveel alcohol ze drinken, hoeveel partners ze hebben waar hun huidige partner niets over weet, wat voor werk ze doen en of ze ooit drugs hebben gebruikt. Allemaal erg relevante vragen, want je krijgt gelijk op je kop van de supervisor als je vergeet te vragen wat iemand voor werk doet die op je poli komt met rugklachten.

De patiënte kon mij niet helemaal precies vertellen wat er nou ook al weer aan de hand was met die enkel. ‘Ja, ik heb niet voor dokter gestudeerd, dus weet het allemaal niet hoor. Misschien kan jij het mij beter vertellen.’

Nou, dat kon ik dus niet. Of ja eigenlijk wel, want ik had toevallig van te voren in haar status gekeken en gezien dat ze een operatie heeft gehad aan haar enkelbanden lang geleden. Maar goed als ik dat zou zeggen, dan zou ze zich afvragen waarom ik dan vraag naar dat litteken. Soms vergeet je gewoon wat je ook al weer weet over de patiënt en krijg je opeens zo een ‘oh ja!-momentje’. De laatste tijd merk ik dat wel vaker aan mezelf. Misschien ben ik gewoon moe.

Hoe dan ook littekens zelf vertellen niet zoveel. Alleen dat daar ooit iets is gebeurd. Een stoeipartijtje toen je jong was, een jaloerse ex die het niet kon hebben dat je wegliep, een stoot tegen een hek aan bij het voetballen. Ik kan littekens wel waarderen. Ze dragen een verhaal met zich mee die je van buiten niet kunt lezen. Het heeft iets mysterieus. En ook wonderbaarlijk hoe je lichaam zichzelf kan helen na zo een diepe wond. Of tijd, want die heelde zogenaamd wonden toch?

‘U mag weer uw broek en trui aandoen en weer komen zitten,’ gaf ik aan, terwijl ik achter mijn bureau aanschoof en mijn bevindingen van het lichamelijk onderzoek opschreef. ‘Hoe komt u aan uw litteken?’ vroeg ze mij, nadat ze weer tegenover mij kwam zitten en ik hard aan het nadenken was of ik het litteken nou in de rechter- of linkerenkel had gezien. Nooit mijn sterkste eigenschap geweest dat links en rechts gebeuren.

Het duurde even voor ik wist over welk litteken ze het had, maar haar blik verraadde dat ze naar mijn typende linkerhand zat te kijken. ‘Brutale vraag,’ wilde ik zeggen. Ik zeg toch, als ze een witte jas aan had, zou ik er niet eens over nadenken. ‘Oh dit ding,’ vertelde ik lachend. ‘Geloof het of niet, ooit heb ik heel fanatiek gevoetbald.’ Bij het woord fanatiek, deed ik die aanhalingstekens met mijn vingers. Normaal heb ik er een hekel aan als mensen dat doen. Dus ik deed mijn handen weer snel omlaag toen ik er bewust van werd dat ik zojuist het aanhalingstekengebaar maakte. ‘Ik struikelde over de bal, want het was glad buiten door al het sneeuw. En toen ben ik met mijn hand in de prikkeldraad terecht gekomen.’ Op haar gezicht was walging af te lezen. ‘Lelijke val!’ zei ze.

Ik knikte. Een lelijke val was het zeker, maar geen lelijk litteken. Ik weet nog goed hoe mijn buurtvrienden, als een gek, naar mijn huis holden om een van mijn ouders te roepen. Zo weet je al op jonge leeftijd wat vriendschap inhoudt.

We willen ons littekens altijd maar verbergen voor de buitenwereld. En als je het mij vraagt, komt dat niet omdat de buitenwereld of wijzelf het lelijk vinden. Het is meer dat het een verhaal wilt onthullen. Het valt op, het lokt vragen uit. En dat is waar wij mensen niet van houden. Praten over het verleden. En vooral de dingen, die ons veel pijn hebben gedaan.

#GeenPrik

Met zijn teddybeer in zijn ene hand en zijn andere hand in die van de verpleegkundige, stond het kleine 4-jarige jongetje in de deuropening. Hij staarde vier mensen in het wit fronsend aan. De arts-assistent, twee verpleegkundigen en ik. ‘Ik wil geen prik,’ zei hij stampvoetend. Zijn ene oog stond half open en zijn mondhoek aan dezelfde kant leek afhangend. Het jongetje was te jong voor een beroerte, maar om te kijken wat er aan de hand was, moest er een CT-scan gemaakt worden van zijn hersenen. ‘Ik wil echt geen prik,’ protesteerde hij, terwijl de verpleegkundige hem de kamer in probeerde te krijgen. We moesten hem helaas echt een infuus geven om die CT-scan te kunnen maken. Er moest namelijk vloeistof ingespoten worden, om de vaten duidelijker op beeld te kunnen krijgen.

De verpleegkundige tilde hem op, plaatste hem op het onderzoeksbankje, en tegen al ons principes in, hield elk van ons een been of arm vast, zodat de arts het jongetje veilig kon prikken. We probeerden hem nog af te leiden met muziek en leuke video’s met ons smartphones, maar niets hielp tegen het geschreeuw en zijn onrust. ‘Dat doet zeer!’ schreeuwde het jongetje en probeerde met al zijn kracht ons weg te duwen en zichzelf los te krijgen. Ik deed een schietgebedje dat zijn moeder snel zou komen, om hem misschien wat rustiger te krijgen. Ook al deden we het voor zijn bestwil, soms voelen dingen vreemd en krom aan.

Hoe harder hij tegenstribbelde, hoe steviger we hem moesten fixeren. Het voelde raar, maar hij kon zichzelf anders flink bezeren. ‘Ik heb snot!’ schreeuwde hij. We wisten niet zo goed waar die het over had, iedereen was zo gefocust op het infuusje dat we niet doorhadden dat er een snottebel tot bijna op zijn schoot lag. ‘Ik heb SNOT’ krijste hij zijn longen uit zijn lijf. De verpleegkundigen en ik keken op, terwijl de arts zijn aandacht bij het infuus hield, en zagen nu waar het jongetje zo om zat te schreeuwen. Ik zocht naar een servetje in mijn witte jaszakken, maar vond behalve mijn stethoscoop, notitieblokjes en een leidraad nog alleen maar een zakje voor kruidensoep die ik drie weken geleden vanuit de spoed eisende hulp had meegenomen, en telkens mee had verhuisd naar een nieuwe witte jas maar nog niet eraan toe was gekomen om op te drinken. Gelukkig had een van de verpleegkundigen een servetje bij zich en hielp het jongetje van zijn gesnotter af.

De infuusnaald zat er net goed in, maar sneuvelde al voor het vastgeplakt kon worden. Om hem niet verder te pesten besloot de arts het aan de anesthesist over te laten, die kunnen dat net iets beter. Later hoorden we terug van zijn moeder dat het kleine jongetje na de CT-scan stoer met zijn zus zat te skypen en haar vertelde: ‘Ja, ze hebben mij overal geprikt. Het deed zeer joh! Maar hey, ik heb het overleefd.’

#NietZoGewoon

Ze drukte het groeiboekje, van een van de nieuw opgenomen patiënte, in mijn handen en vroeg of ik het in het systeem wilde zetten. Ik bladerde spiedend in het boekje en mompelde: ‘Ja, hoor.’ Maar eigenlijk dacht ik, dit is niet bepaald een van mijn leerdoelen voor de coschappen. Het is dat ik haar heel erg aardig en fijn vond als arts-assistente, of misschien was het haar Belgische accent waar ze letterlijk overal mee kon wegkomen, dat ik maar joviaal zei: ‘Komt voor elkaar.’

Wanneer ik plaats heb genomen achter mijn computer en het groene groeiboekje opnieuw open klapte, viel het mij op hoe goed geregeld alles eigenlijk is in Nederland. In mijn vaderland hebben ze geloof ik nooit eerder gehoord van een groeiboekje. Je mocht daar al blij zijn als ze een geboortedatum en –tijd noteerden. En van een vaccinatieboekje weten ze al helemaal niets. Misschien zit ik nu flink te oordelen, maar dat komt omdat ik er hopeloos moedeloos van word dat er telkens weer naar mijn vaccinatieboekje wordt gevraagd als ik weer in een ander ziekenhuis mijn coschappen moet lopen. ‘Ja mevrouw. Ik ben echt gevaccineerd, want ik kan die verduivelde prikken nog als de dag van gisteren herinneren, maar in Irak hielden ze geen vaccinatieboekje bij’ legde ik elke keer weer overtuigend uit.

Ik heb trouwens ook geen flauw idee hoe ik eruit zag als baby, want er werden niet veel foto’s gemaakt van mij. Volgens mijn ouders was er geen tijd voor foto’s (vroeger had je geen smartphones en moest je naar een fotograaf) en de foto’s die er waren, zijn kwijt geraakt tijdens de oorlog. Ik geloof ze niet. Volgens mij was ik gewoon een spuuglelijke baby met een snor en zijn er daarom geen foto’s. Baby’s zijn trouwens sowieso eng. Ze kunnen je doordringend aankijken, alsof ze je gedachten kunnen lezen en lachen opeens, uit het niets, in je gezicht. Alsof ze weten dat je jaloers bent op hun zorgeloze leventje en je jouw eigen leven ‘zat’ begint te worden.

Maar goed, ik dwaal af. Het groeiboekje hadden we het over. Het was de bedoeling dat ik de lengtes en gewichten in het systeem moest zetten en dan zou het automatisch in een groeicurve omgezet worden. Maar ik bleef in het boekje doorbladeren. Er stonden zulke openhartige berichten in, dat het bijna verkeerd aanvoelde om het te lezen. ‘Hier zei je voor het eerst mama’; ‘Hier at je voor het eerst aardbei, volgens mij vond je het niet zo lekker’; ‘Hier deed je voor het eerst helemaal alleen op het potje poepen. Wat ben je goed bezig!’ Ik vond het hartverwarmend.

En ik wilde dit ook, later. Voor mijn eigen kinderen. Ze elke dag vertellen hoe trots ik op ze ben, hoe mooi ze zijn en hoe slim ik ze vind. En ergens moest ik ook lachen om het groeiboekje. Omdat we in het begin zo trots op onszelf en elkaar zijn om de kleinste dingen zoals ‘poepen’ en gedurende het leven je steeds meer van jezelf en elkaar gaat vragen. Poepen wordt opeens heel gewoon.

Soms verwachten mensen teveel van zichzelf. Draaien uiteindelijk door, krijgen kortsluiting en eindigen net als dit meisje in een psychiatrische inrichting.

Het is cliché, maar clichés zijn vaak waar dus ik ga het toch zeggen: Het zijn de kleine dingen die ertoe doen! En die echt het verschil maken. Dus maak je niet al te druk. Het is het niet (altijd) waard. En bedenk even wanneer je voor het laatst stil hebt gestaan bij wat je allemaal bereikt hebt en hoe trots je eigenlijk op jezelf mag zijn. Of op elkaar.

#StinkSokken

‘Vertel eens wat over je vrienden,’ vroeg ik. Ze zat tegenover mij, met haar armen over elkaar heen en zat met haar rechterhand zenuwachtig aan haar linker bovenarm te plukken aan een oud korstje. ‘Ik heb niet echt vrienden,’ antwoordde ze zacht. ‘Ook geen mensen in je klas waar je graag huiswerk mee maakt?’ Ze schudde haar hoofd. ‘Nee, mijn klasgenoten zijn allemaal kinderachtig. Ze vinden school niet zo belangrijk als ik dat vind. Ze begrijpen mij niet.’ Ik humde. ‘Merk je vaker dat mensen je niet begrijpen of heb je dat alleen met je klasgenoten?’

Ze keek mij bedenkend aan. ‘Eigenlijk vaker inderdaad. Alleen met mijn moeder kan ik het goed vinden. Niet met leeftijdsgenoten in ieder geval.’ Ik knikte begripvol. ‘Vind je het vervelend dat je geen vrienden hebt?’ Ze haalde haar schouders op. Ik liet een stilte vallen en bleef op haar antwoord wachten. Ze keek naar de grond, daarna naar het plafond, toen weer naar mij. Waarschijnlijk vond ze de stilte te ongemakkelijk en besloot toch te antwoorden: ‘Ik heb geen vrienden nodig.’

‘Zou je ze wel willen, ondanks dat je ze niet nodig hebt?’ Ze schudde weer haar hoofd. ‘Ik denk het niet. Het is toch alleen maar drama. Vooral met de tieners tegenwoordig. Iedereen roddelt over elkaar, pakken elkaars vriendjes af, zijn teveel bezig met hun looks.’ Ik moest erom lachen en kon haar geen ongelijk geven. Als je de verkeerde ‘vrienden’ tegenkomt, lijken het net schoenen die te strak om je voeten heen zitten. Een beklemmend gevoel, maar je doet ze niet uit want op de een of andere manier ben je trots op die nieuwe schoenen. Totdat je niet meer kunt lopen van de pijn, ze uiteindelijk uit doet en je beseft hoe heerlijk het leven was zonder ze.

‘Hoor ik het dan goed dat je uiterlijk niet belangrijk vind?’ vroeg ik. ‘Jawel. Gewoon dat je er schoon uitziet. Maar die kilo’s make-up hoeft van mij niet hoor.’ Ze zwaaide haar haren naar achteren en deed weer haar armen over elkaar. ‘Wanneer kocht u voor het eerst make-up?’ vroeg ze mij. Die vraag zag ik niet aankomen. Ik grinnikte. Ik herinnerde het mij nog heel goed, dat ik samen met mijn moeder in de Douglas stond en al mijn moed verzamelde, naar een fles foundation wees en piepend zei: ‘Mama, ik wil dit een keer proberen.’

‘Ik was een jaar of 19, misschien 20.’ antwoordde ik. ‘Ziet u! Tegenwoordig dragen ze al make-up vanaf 10 jaar!’ zei ze gefrustreerd. Ze klonk wel erg wijs voor een 14-jarig meisje. En ergens begreep ik haar ook wel. Het is nogal frustrerend als mensen je niet snappen of als mensen heel anders zijn dan jij.

Kijk maar naar Trump, die gooit gewoon zijn grenzen dicht voor mensen die anders zijn. We kunnen muren om onszelf heen bouwen, nog meer van elkaar gaan verschillen, nog meer elkaar niet begrijpen en grotere afstanden creëren. Terwijl wij eigenlijk beter onszelf kunnen afvragen of onze vrienden ons wel nodig hebben, in plaats van wij hun. Of wij niet zelf een beklemmende schoen zijn.

Je hoort het steeds vaker. Ik ben er zelf ook schuldig aan. Dat we mensen ‘verwijderen’ uit ons leven, omdat ze niet goed zijn voor ons. Zonder af te vragen of we zelf wel goed waren voor die personen. Uiteindelijk alleen en eenzaam over blijven. En dat is niet erg, eenzaamheid is niet zo eng en lelijk als dat het lijkt. Maar je komt jezelf wel tegen. Dus voor je grenzen dicht gaat gooien, voor je hele hoge ijzeren muren gaat bouwen, vraag jezelf eerst af of je er klaar voor bent om jezelf tegen te komen. Het kan er namelijk erg lelijk aan toe gaan, als je die schoenen uittrekt. En vervolgens onder je stink sokken al je lelijke blaren ontdekt.

En ook de wereld komt gauw genoeg zichzelf tegen. De vraag is alleen, of we elkaar echt kwijt zullen raken.

#InYourFace

‘Hoi daar,’ ik stak mijn hand uit naar het vier jarige meisje die mij met grote glazige ogen aankeek. Ze leek niet geïnteresseerd te zijn in mijn hand, maar meer in wat uit mijn jaszak bungelde. ‘Ik ben Doa, en ik kom naar je hartje luisteren.’ Ze vormde met haar mond een rondje en keek mij verbaasd aan. ‘Hart,’ zei ze en plaatste haar hand op haar borst, net boven haar hart. Ik lachte. Ze gaf mij de grootste smile die ze kon maken en wees naar mijn stethoscoop. ‘Goed zo, ik ga inderdaad met dit dingetje naar je hart luisteren.’ Ze knikte en zei: ‘Ik weet hoe.’ Ze greep mijn stethoscoop uit mijn jaszak, deed het omgekeerd in haar oortjes en plaatste de stethoscoop op haar borst. ‘Ze heeft thuis goed geoefend,’ legde haar moeder uit die net de kamer binnen kwam lopen. ‘We hebben haar even voorbereid zodat ze niet zou schrikken van al die witte jassen.’ ‘Wat goed!’ zei ik gemeend.

Ik richtte mij weer op mijn jonge patiënte. ‘Heel goed Marie, mag ik nu ook luisteren?’ Ik nam mijn stethoscoop weer van haar over en begon te luisteren. Ze had een ruisje over haar hart. Iets wat vaker voorkomt bij het syndroom dat ze heeft. Ze had namelijk het syndroom van Down. Ook wel bekend in de volksmond als ‘mongooltje.’ ‘Aapje moet ook,’ zei ze wijzend naar haar knuffelaapje. ‘Oh, is aapje ziek?’ ‘Nee, maar aapje ook!’ Ik deed maar wat ze wilde en luisterde naar het hartje van haar aap. ‘Klinkt goed,’ speelde ik mee. Ze fronste, tilde haar aapje op en gooide het rechtstreeks in mijn gezicht. Ik wist even niet wat mij overkwam. Maar nadat ik zag hoe grappig ze het vond, hoe ze haar kleine handjes voor haar mond deed en giechelend ‘ooooohh’ riep, smolt mijn hart. Haar moeder werd ook rood van het lachen.

‘Straks breekt aapje nog een poot als je hem zo hard gooit.’ Ik raapte haar knuffelbeest van de grond en legde het weer naast haar in bed. Ze greep er weer naar en smeet hem opnieuw keihard in mijn gezicht. Nu moest ze er nog harder om lachen. ‘Heel grappig!’ mompelde ik sarcastisch. Ik raapte het aapje weer op en gooide hem nu zachtjes in haar gezicht. Ze moest zo hard lachen, dat ze bijna in haar broek plaste. En mijn hart smolt nog meer…

#Pottenkijkers

Het was rustig op de SEH. Er lag maar een patiënte en toch leek het in mijn hoofd te krioelen van de gedachten. Mijn patiënte van heel de avond, was een jong meisje van vier. Met een snoezig lief gezichtje, lichtblonde haren en bruine ogen. Ze hield haar grijze muis-achtige knuffel stevig vast en keek huiverig om zich heen.

Wanneer het angstige, maar dappere meisje en haar ouders mij toestemming hebben gegeven om haar te onderzoeken, doet ze haar trui omhoog. Ik schrok van haar buikomvang en probeerde mijn schrik te camoufleren door nonchalant een grapje te maken over dat de stethoscoop koud aan zal voelen. Ik begon bij het beluisteren van haar hart. Geen idee, waarom ik niet bij de buik begon. Ik denk dat ik er zo van schrok dat ik het onbewust probeerde te negeren, zodat ik niet haar of haar ouders bezorgd zou maken.

Ik vroeg haar of ze met haar mond open diep in en uit wilde zuchten, dit deed ze netjes. ‘Vesiculair ademgeruis over alle longvelden en geen bijgeluiden,’ mompelde ik richting de arts-assistent. Medisch taalgebruik voor ‘de longen zijn schoon.’ En nu kon ik er niet meer omheen. Ik moest de buik gaan onderzoeken. Ik wierp nog even een blik naar de arts-assistent. Hij knikte begripvol en ik merkte dat hij begreep dat er een lampje bij mij is gaan branden en ik niet hardop, waar het kindje bij zit, het woord kanker hoef te roepen. Waarschijnlijk wist ze er toch al meer over dan ik. Maar toch.

Als je er zo een eerste blik op werpt, lijkt er niet veel aan de hand. Een vier jarig meisje met koorts, haar ouders liefelijk bezorgd naast haar bed in hartje winter. Had zomaar een griepje kunnen zijn. Totdat je de buik gaat onderzoeken natuurlijk. Ik mocht van tevoren niet in haar dossier kijken van de arts-assistent, anders zou ik namelijk hebben geweten dat ze pas chemotherapie heeft gehad.

Dit meisje was niet op de SEH, omdat ze verkouden of een buikgriepje had. Ze was hier, omdat haar ouders de instructies van haar arts goed hadden opgevolgd. Dit meisje had namelijk kanker, Wilms-tumor genaamd. Een vorm van nierkanker wat alleen voorkomt bij jonge kinderen. En bij koorts, moesten ze direct naar de SEH komen. Een van de instructies die ze meegeven na chemotherapie.

De tumor was zo groot, dat er een enorme zwelling over haar gehele buik zichtbaar was. Ik weet niet zo goed hoe ik het moet beschrijven, maar je kon er niet omheen. Ik merkte aan het meisje dat ze genoeg had van al die pottenkijkers. Ik deed haar trui weer omlaag en dekte haar toe. We zeiden niet veel. De arts-assistent gaf nog aan de ouders mee dat we contact gaan opnemen met de behandelende arts. Veel konden wij nu toch niet doen, behalve wat bloedprikken, lichamelijk onderzoek en vragen naar de naam van haar knuffel.

Op de gang zei de arts-assistent: ‘Zo Do, nu heb je ook een Wilms-tumor in het echt gezien.’ Ik knikte. Of ik er blij mee was, wist ik niet zo goed. Wilms tumor heeft een hoge genezingskans, maar toch. Het blijft kanker.

En dan nog te bedenken, dat sommige mensen dat woord gebruiken om ‘stoer’ te praten…

#StatusSusStatusZo

‘Doa!’ riep de arts-assistente. Beduusd keek ik op van mijn computerscherm, want ze zat echt pal naast mij en ik begreep niet zo goed waarom ze zo hard mijn naam moest roepen. ‘Waarom heb je in je verslaglegging geschreven dat die mevrouw van een kruk is gevallen, toen ze haar kamer lampje aan het wisselen was.’ ‘Omdat die patiënte het zo verteld heeft, hoezo?’ vroeg ik. Ze keek geërgerd en proestte: ‘Ja, dat hoeft er dus niet in.’ Ik zag haar mijn zinnen deleten. Alleen de zin ‘gevallen en op haar polsen terecht gekomen’ liet ze staan. ‘Jeetje, ben je met de verkeerde been uit bed gestapt?’ had een ander arts-assistent haar gevraagd. Ik geloof dat hij voor de arme coassistent wilde opkomen.

Het kon mij allemaal niets schelen. Ik had mij alweer gericht op mijn eigen computerscherm en tikte mijn statussen verder door. Ze moest het lekker zelf weten als ze zich zo wilde gedragen. Ik lig er niet wakker van. Maar of ik er oprecht iets van leer, is een andere vraag. Gaandeweg leer je zo goed de statusvoering, dat je precies weet bij welke arts-assistent je het hoe en wat moet opschrijven. Zonder dat je er echt bewust van bent.

Want als coassistent word je elke week, door een ander arts-assistent, weer op het matje geroepen omdat je de status niet zo hebt getypt zoals zij het willen. Gelukkig heb je ook arts-assistenten ertussen zitten die het gewoon prima vinden, zoals je het doen (zolang alle belangrijke dringen erin staan), en zeggen ze troostend: ‘Iedereen doet het toch anders.’

En dat klopt. Echt iedereen doet het anders. Op de interne houden ze van lange lap teksten schrijven. Maar niet te lang. En geen fratsen, alleen de belangrijke informatie. Dan heb je nog de collega’s die liever een slash dan een dubbele punt gebruiken, of andersom. En de collega’s die fan zijn van afkortingen, terwijl je ook collega’s hebt die daar enorm allergisch voor zijn.

Op de chirurgie houden ze juist van korte statussen. Maar te kort is ook alweer niet goed. Het is eigenlijk nooit goed. Er is bijna altijd wel iets wat je niet erin hebt gezet of wat ze juist overbodig vinden. Ja, erg demotiverend voor een “schrijvende coassistente.”

Behalve op de psychiatrie. Daar is het echt feest voor schrijvende coassistenten als ik, want daar mag je hele a4’tjes volschrijven. Alles mag erin. Hoe gedetailleerder hoe beter. “Moeder zei dit, dochter zit voorovergebogen, patiënt maakt geen oogcontact.” Heerlijk. Daar moet je bij de chirurgie echt niet mee aan komen zetten: ‘Pietje is tijdens het voetballen met oom van moederskant en neefje, gevallen en met zijn knie tegen een paal aangekomen. Pietje kreeg toen een ijsje tegen de pijn.” Ik zie het al helemaal voor mij hoe de arts-assistenten van de chirurgie daar spontaan een zenuwtrekje van krijgen.