Blogs & Columns

#StinkSokken

‘Vertel eens wat over je vrienden,’ vroeg ik. Ze zat tegenover mij, met haar armen over elkaar heen en zat met haar rechterhand zenuwachtig aan haar linker bovenarm te plukken aan een oud korstje. ‘Ik heb niet echt vrienden,’ antwoordde ze zacht. ‘Ook geen mensen in je klas waar je graag huiswerk mee maakt?’ Ze schudde haar hoofd. ‘Nee, mijn klasgenoten zijn allemaal kinderachtig. Ze vinden school niet zo belangrijk als ik dat vind. Ze begrijpen mij niet.’ Ik humde. ‘Merk je vaker dat mensen je niet begrijpen of heb je dat alleen met je klasgenoten?’

Ze keek mij bedenkend aan. ‘Eigenlijk vaker inderdaad. Alleen met mijn moeder kan ik het goed vinden. Niet met leeftijdsgenoten in ieder geval.’ Ik knikte begripvol. ‘Vind je het vervelend dat je geen vrienden hebt?’ Ze haalde haar schouders op. Ik liet een stilte vallen en bleef op haar antwoord wachten. Ze keek naar de grond, daarna naar het plafond, toen weer naar mij. Waarschijnlijk vond ze de stilte te ongemakkelijk en besloot toch te antwoorden: ‘Ik heb geen vrienden nodig.’

‘Zou je ze wel willen, ondanks dat je ze niet nodig hebt?’ Ze schudde weer haar hoofd. ‘Ik denk het niet. Het is toch alleen maar drama. Vooral met de tieners tegenwoordig. Iedereen roddelt over elkaar, pakken elkaars vriendjes af, zijn teveel bezig met hun looks.’ Ik moest erom lachen en kon haar geen ongelijk geven. Als je de verkeerde ‘vrienden’ tegenkomt, lijken het net schoenen die te strak om je voeten heen zitten. Een beklemmend gevoel, maar je doet ze niet uit want op de een of andere manier ben je trots op die nieuwe schoenen. Totdat je niet meer kunt lopen van de pijn, ze uiteindelijk uit doet en je beseft hoe heerlijk het leven was zonder ze.

‘Hoor ik het dan goed dat je uiterlijk niet belangrijk vind?’ vroeg ik. ‘Jawel. Gewoon dat je er schoon uitziet. Maar die kilo’s make-up hoeft van mij niet hoor.’ Ze zwaaide haar haren naar achteren en deed weer haar armen over elkaar. ‘Wanneer kocht u voor het eerst make-up?’ vroeg ze mij. Die vraag zag ik niet aankomen. Ik grinnikte. Ik herinnerde het mij nog heel goed, dat ik samen met mijn moeder in de Douglas stond en al mijn moed verzamelde, naar een fles foundation wees en piepend zei: ‘Mama, ik wil dit een keer proberen.’

‘Ik was een jaar of 19, misschien 20.’ antwoordde ik. ‘Ziet u! Tegenwoordig dragen ze al make-up vanaf 10 jaar!’ zei ze gefrustreerd. Ze klonk wel erg wijs voor een 14-jarig meisje. En ergens begreep ik haar ook wel. Het is nogal frustrerend als mensen je niet snappen of als mensen heel anders zijn dan jij.

Kijk maar naar Trump, die gooit gewoon zijn grenzen dicht voor mensen die anders zijn. We kunnen muren om onszelf heen bouwen, nog meer van elkaar gaan verschillen, nog meer elkaar niet begrijpen en grotere afstanden creëren. Terwijl wij eigenlijk beter onszelf kunnen afvragen of onze vrienden ons wel nodig hebben, in plaats van wij hun. Of wij niet zelf een beklemmende schoen zijn.

Je hoort het steeds vaker. Ik ben er zelf ook schuldig aan. Dat we mensen ‘verwijderen’ uit ons leven, omdat ze niet goed zijn voor ons. Zonder af te vragen of we zelf wel goed waren voor die personen. Uiteindelijk alleen en eenzaam over blijven. En dat is niet erg, eenzaamheid is niet zo eng en lelijk als dat het lijkt. Maar je komt jezelf wel tegen. Dus voor je grenzen dicht gaat gooien, voor je hele hoge ijzeren muren gaat bouwen, vraag jezelf eerst af of je er klaar voor bent om jezelf tegen te komen. Het kan er namelijk erg lelijk aan toe gaan, als je die schoenen uittrekt. En vervolgens onder je stink sokken al je lelijke blaren ontdekt.

En ook de wereld komt gauw genoeg zichzelf tegen. De vraag is alleen, of we elkaar echt kwijt zullen raken.

#InYourFace

‘Hoi daar,’ ik stak mijn hand uit naar het vier jarige meisje die mij met grote glazige ogen aankeek. Ze leek niet geïnteresseerd te zijn in mijn hand, maar meer in wat uit mijn jaszak bungelde. ‘Ik ben Doa, en ik kom naar je hartje luisteren.’ Ze vormde met haar mond een rondje en keek mij verbaasd aan. ‘Hart,’ zei ze en plaatste haar hand op haar borst, net boven haar hart. Ik lachte. Ze gaf mij de grootste smile die ze kon maken en wees naar mijn stethoscoop. ‘Goed zo, ik ga inderdaad met dit dingetje naar je hart luisteren.’ Ze knikte en zei: ‘Ik weet hoe.’ Ze greep mijn stethoscoop uit mijn jaszak, deed het omgekeerd in haar oortjes en plaatste de stethoscoop op haar borst. ‘Ze heeft thuis goed geoefend,’ legde haar moeder uit die net de kamer binnen kwam lopen. ‘We hebben haar even voorbereid zodat ze niet zou schrikken van al die witte jassen.’ ‘Wat goed!’ zei ik gemeend.

Ik richtte mij weer op mijn jonge patiënte. ‘Heel goed Marie, mag ik nu ook luisteren?’ Ik nam mijn stethoscoop weer van haar over en begon te luisteren. Ze had een ruisje over haar hart. Iets wat vaker voorkomt bij het syndroom dat ze heeft. Ze had namelijk het syndroom van Down. Ook wel bekend in de volksmond als ‘mongooltje.’ ‘Aapje moet ook,’ zei ze wijzend naar haar knuffelaapje. ‘Oh, is aapje ziek?’ ‘Nee, maar aapje ook!’ Ik deed maar wat ze wilde en luisterde naar het hartje van haar aap. ‘Klinkt goed,’ speelde ik mee. Ze fronste, tilde haar aapje op en gooide het rechtstreeks in mijn gezicht. Ik wist even niet wat mij overkwam. Maar nadat ik zag hoe grappig ze het vond, hoe ze haar kleine handjes voor haar mond deed en giechelend ‘ooooohh’ riep, smolt mijn hart. Haar moeder werd ook rood van het lachen.

‘Straks breekt aapje nog een poot als je hem zo hard gooit.’ Ik raapte haar knuffelbeest van de grond en legde het weer naast haar in bed. Ze greep er weer naar en smeet hem opnieuw keihard in mijn gezicht. Nu moest ze er nog harder om lachen. ‘Heel grappig!’ mompelde ik sarcastisch. Ik raapte het aapje weer op en gooide hem nu zachtjes in haar gezicht. Ze moest zo hard lachen, dat ze bijna in haar broek plaste. En mijn hart smolt nog meer…

#Pottenkijkers

Het was rustig op de SEH. Er lag maar een patiënte en toch leek het in mijn hoofd te krioelen van de gedachten. Mijn patiënte van heel de avond, was een jong meisje van vier. Met een snoezig lief gezichtje, lichtblonde haren en bruine ogen. Ze hield haar grijze muis-achtige knuffel stevig vast en keek huiverig om zich heen.

Wanneer het angstige, maar dappere meisje en haar ouders mij toestemming hebben gegeven om haar te onderzoeken, doet ze haar trui omhoog. Ik schrok van haar buikomvang en probeerde mijn schrik te camoufleren door nonchalant een grapje te maken over dat de stethoscoop koud aan zal voelen. Ik begon bij het beluisteren van haar hart. Geen idee, waarom ik niet bij de buik begon. Ik denk dat ik er zo van schrok dat ik het onbewust probeerde te negeren, zodat ik niet haar of haar ouders bezorgd zou maken.

Ik vroeg haar of ze met haar mond open diep in en uit wilde zuchten, dit deed ze netjes. ‘Vesiculair ademgeruis over alle longvelden en geen bijgeluiden,’ mompelde ik richting de arts-assistent. Medisch taalgebruik voor ‘de longen zijn schoon.’ En nu kon ik er niet meer omheen. Ik moest de buik gaan onderzoeken. Ik wierp nog even een blik naar de arts-assistent. Hij knikte begripvol en ik merkte dat hij begreep dat er een lampje bij mij is gaan branden en ik niet hardop, waar het kindje bij zit, het woord kanker hoef te roepen. Waarschijnlijk wist ze er toch al meer over dan ik. Maar toch.

Als je er zo een eerste blik op werpt, lijkt er niet veel aan de hand. Een vier jarig meisje met koorts, haar ouders liefelijk bezorgd naast haar bed in hartje winter. Had zomaar een griepje kunnen zijn. Totdat je de buik gaat onderzoeken natuurlijk. Ik mocht van tevoren niet in haar dossier kijken van de arts-assistent, anders zou ik namelijk hebben geweten dat ze pas chemotherapie heeft gehad.

Dit meisje was niet op de SEH, omdat ze verkouden of een buikgriepje had. Ze was hier, omdat haar ouders de instructies van haar arts goed hadden opgevolgd. Dit meisje had namelijk kanker, Wilms-tumor genaamd. Een vorm van nierkanker wat alleen voorkomt bij jonge kinderen. En bij koorts, moesten ze direct naar de SEH komen. Een van de instructies die ze meegeven na chemotherapie.

De tumor was zo groot, dat er een enorme zwelling over haar gehele buik zichtbaar was. Ik weet niet zo goed hoe ik het moet beschrijven, maar je kon er niet omheen. Ik merkte aan het meisje dat ze genoeg had van al die pottenkijkers. Ik deed haar trui weer omlaag en dekte haar toe. We zeiden niet veel. De arts-assistent gaf nog aan de ouders mee dat we contact gaan opnemen met de behandelende arts. Veel konden wij nu toch niet doen, behalve wat bloedprikken, lichamelijk onderzoek en vragen naar de naam van haar knuffel.

Op de gang zei de arts-assistent: ‘Zo Do, nu heb je ook een Wilms-tumor in het echt gezien.’ Ik knikte. Of ik er blij mee was, wist ik niet zo goed. Wilms tumor heeft een hoge genezingskans, maar toch. Het blijft kanker.

En dan nog te bedenken, dat sommige mensen dat woord gebruiken om ‘stoer’ te praten…