Blogs & Columns

#ScarsAreForever

‘Hoe komt u aan dit litteken?’ vroeg ik de patiënte die languit op het onderzoeksbankje lag en streek over haar enkel waar het litteken zat. Ze vertelde hoe ze eraan kwam, zonder zich af te vragen waarom ik er zo nieuwsgierig naar was. Dat scheelt als je een witte jas aan hebt, mag je alles vragen aan mensen. Hoeveel alcohol ze drinken, hoeveel partners ze hebben waar hun huidige partner niets over weet, wat voor werk ze doen en of ze ooit drugs hebben gebruikt. Allemaal erg relevante vragen, want je krijgt gelijk op je kop van de supervisor als je vergeet te vragen wat iemand voor werk doet die op je poli komt met rugklachten.

De patiënte kon mij niet helemaal precies vertellen wat er nou ook al weer aan de hand was met die enkel. ‘Ja, ik heb niet voor dokter gestudeerd, dus weet het allemaal niet hoor. Misschien kan jij het mij beter vertellen.’

Nou, dat kon ik dus niet. Of ja eigenlijk wel, want ik had toevallig van te voren in haar status gekeken en gezien dat ze een operatie heeft gehad aan haar enkelbanden lang geleden. Maar goed als ik dat zou zeggen, dan zou ze zich afvragen waarom ik dan vraag naar dat litteken. Soms vergeet je gewoon wat je ook al weer weet over de patiënt en krijg je opeens zo een ‘oh ja!-momentje’. De laatste tijd merk ik dat wel vaker aan mezelf. Misschien ben ik gewoon moe.

Hoe dan ook littekens zelf vertellen niet zoveel. Alleen dat daar ooit iets is gebeurd. Een stoeipartijtje toen je jong was, een jaloerse ex die het niet kon hebben dat je wegliep, een stoot tegen een hek aan bij het voetballen. Ik kan littekens wel waarderen. Ze dragen een verhaal met zich mee die je van buiten niet kunt lezen. Het heeft iets mysterieus. En ook wonderbaarlijk hoe je lichaam zichzelf kan helen na zo een diepe wond. Of tijd, want die heelde zogenaamd wonden toch?

‘U mag weer uw broek en trui aandoen en weer komen zitten,’ gaf ik aan, terwijl ik achter mijn bureau aanschoof en mijn bevindingen van het lichamelijk onderzoek opschreef. ‘Hoe komt u aan uw litteken?’ vroeg ze mij, nadat ze weer tegenover mij kwam zitten en ik hard aan het nadenken was of ik het litteken nou in de rechter- of linkerenkel had gezien. Nooit mijn sterkste eigenschap geweest dat links en rechts gebeuren.

Het duurde even voor ik wist over welk litteken ze het had, maar haar blik verraadde dat ze naar mijn typende linkerhand zat te kijken. ‘Brutale vraag,’ wilde ik zeggen. Ik zeg toch, als ze een witte jas aan had, zou ik er niet eens over nadenken. ‘Oh dit ding,’ vertelde ik lachend. ‘Geloof het of niet, ooit heb ik heel fanatiek gevoetbald.’ Bij het woord fanatiek, deed ik die aanhalingstekens met mijn vingers. Normaal heb ik er een hekel aan als mensen dat doen. Dus ik deed mijn handen weer snel omlaag toen ik er bewust van werd dat ik zojuist het aanhalingstekengebaar maakte. ‘Ik struikelde over de bal, want het was glad buiten door al het sneeuw. En toen ben ik met mijn hand in de prikkeldraad terecht gekomen.’ Ze keek mij geschrokken aaan. ‘Lelijke val!’ zei ze.

Ik knikte. Een lelijke val was het zeker, maar geen lelijk litteken. Ik weet nog goed hoe mijn buurtvrienden, als een gek, naar mijn huis holden om een van mijn ouders te roepen. Zo weet je al op jonge leeftijd wat vriendschap inhoudt.

We willen ons littekens altijd maar verbergen voor de buitenwereld. En als je het mij vraagt, komt dat niet omdat de buitenwereld of wijzelf het lelijk vinden. Het is meer dat het een verhaal wilt onthullen. Het valt op, het lokt vragen uit. En dat is waar wij mensen niet van houden. Praten over het verleden. En vooral de dingen, die ons veel pijn hebben gedaan.

#GeenPrik

Met zijn teddybeer in zijn ene hand en zijn andere hand in die van de verpleegkundige, stond het kleine 4-jarige jongetje in de deuropening. Hij staarde vier mensen in het wit fronsend aan. De arts-assistent, twee verpleegkundigen en ik. ‘Ik wil geen prik,’ zei hij stampvoetend. Zijn ene oog stond half open en zijn mondhoek aan dezelfde kant leek afhangend. Het jongetje was te jong voor een beroerte, maar om te kijken wat er aan de hand was, moest er een CT-scan gemaakt worden van zijn hersenen. ‘Ik wil echt geen prik,’ protesteerde hij, terwijl de verpleegkundige hem de kamer in probeerde te krijgen. We moesten hem helaas echt een infuus geven om die CT-scan te kunnen maken. Er moest namelijk vloeistof ingespoten worden, om de vaten duidelijker op beeld te kunnen krijgen.

De verpleegkundige tilde hem op, plaatste hem op het onderzoeksbankje, en tegen al ons principes in, hield elk van ons een been of arm vast, zodat de arts het jongetje veilig kon prikken. We probeerden hem nog af te leiden met muziek en leuke video’s met ons smartphones, maar niets hielp tegen het geschreeuw en zijn onrust. ‘Dat doet zeer!’ schreeuwde het jongetje en probeerde met al zijn kracht ons weg te duwen en zichzelf los te krijgen. Ik deed een schietgebedje dat zijn moeder snel zou komen, om hem misschien wat rustiger te krijgen. Ook al deden we het voor zijn bestwil, soms voelen dingen vreemd en krom aan.

Hoe harder hij tegenstribbelde, hoe steviger we hem moesten fixeren. Het voelde raar, maar hij kon zichzelf anders flink bezeren. ‘Ik heb snot!’ schreeuwde hij. We wisten niet zo goed waar die het over had, iedereen was zo gefocust op het infuusje dat we niet doorhadden dat er een snottebel tot bijna op zijn schoot lag. ‘Ik heb SNOT’ krijste hij zijn longen uit zijn lijf. De verpleegkundigen en ik keken op, terwijl de arts zijn aandacht bij het infuus hield, en zagen nu waar het jongetje zo om zat te schreeuwen. Ik zocht naar een servetje in mijn witte jaszakken, maar vond behalve mijn stethoscoop, notitieblokjes en een leidraad nog alleen maar een zakje voor kruidensoep die ik drie weken geleden vanuit de spoed eisende hulp had meegenomen, en telkens mee had verhuisd naar een nieuwe witte jas maar nog niet eraan toe was gekomen om op te drinken. Gelukkig had een van de verpleegkundigen een servetje bij zich en hielp het jongetje van zijn gesnotter af.

De infuusnaald zat er net goed in, maar sneuvelde al voor het vastgeplakt kon worden. Om hem niet verder te pesten besloot de arts het aan de anesthesist over te laten, die kunnen dat net iets beter. Later hoorden we terug van zijn moeder dat het kleine jongetje na de CT-scan stoer met zijn zus zat te skypen en haar vertelde: ‘Ja, ze hebben mij overal geprikt. Het deed zeer joh! Maar hey, ik heb het overleefd.’

#NietZoGewoon

Ze drukte het groeiboekje, van een van de nieuw opgenomen patiënte, in mijn handen en vroeg of ik het in het systeem wilde zetten. Ik bladerde spiedend in het boekje en mompelde: ‘Ja, hoor.’ Maar eigenlijk dacht ik, dit is niet bepaald een van mijn leerdoelen voor de coschappen. Het is dat ik haar heel erg aardig en fijn vond als arts-assistente, of misschien was het haar Belgische accent waar ze letterlijk overal mee kon wegkomen, dat ik maar joviaal zei: ‘Komt voor elkaar.’

Wanneer ik plaats heb genomen achter mijn computer en het groene groeiboekje opnieuw open klapte, viel het mij op hoe goed geregeld alles eigenlijk is in Nederland. In mijn vaderland hebben ze geloof ik nooit eerder gehoord van een groeiboekje. Je mocht daar al blij zijn als ze een geboortedatum en –tijd noteerden. En van een vaccinatieboekje weten ze al helemaal niets. Misschien zit ik nu flink te oordelen, maar dat komt omdat ik er hopeloos moedeloos van word dat er telkens weer naar mijn vaccinatieboekje wordt gevraagd als ik weer in een ander ziekenhuis mijn coschappen moet lopen. ‘Ja mevrouw. Ik ben echt gevaccineerd, want ik kan die verduivelde prikken nog als de dag van gisteren herinneren, maar in Irak hielden ze geen vaccinatieboekje bij’ legde ik elke keer weer overtuigend uit.

Ik heb trouwens ook geen flauw idee hoe ik eruit zag als baby, want er werden niet veel foto’s gemaakt van mij. Volgens mijn ouders was er geen tijd voor foto’s (vroeger had je geen smartphones en moest je naar een fotograaf) en de foto’s die er waren, zijn kwijt geraakt tijdens de oorlog. Ik geloof ze niet. Volgens mij was ik gewoon een spuuglelijke baby met een snor en zijn er daarom geen foto’s. Baby’s zijn trouwens sowieso eng. Ze kunnen je doordringend aankijken, alsof ze je gedachten kunnen lezen en lachen opeens, uit het niets, in je gezicht. Alsof ze weten dat je jaloers bent op hun zorgeloze leventje en je jouw eigen leven ‘zat’ begint te worden.

Maar goed, ik dwaal af. Het groeiboekje hadden we het over. Het was de bedoeling dat ik de lengtes en gewichten in het systeem moest zetten en dan zou het automatisch in een groeicurve omgezet worden. Maar ik bleef in het boekje doorbladeren. Er stonden zulke openhartige berichten in, dat het bijna verkeerd aanvoelde om het te lezen. ‘Hier zei je voor het eerst mama’; ‘Hier at je voor het eerst aardbei, volgens mij vond je het niet zo lekker’; ‘Hier deed je voor het eerst helemaal alleen op het potje poepen. Wat ben je goed bezig!’ Ik vond het hartverwarmend.

En ik wilde dit ook, later. Voor mijn eigen kinderen. Ze elke dag vertellen hoe trots ik op ze ben, hoe mooi ze zijn en hoe slim ik ze vind. En ergens moest ik ook lachen om het groeiboekje. Omdat we in het begin zo trots op onszelf en elkaar zijn om de kleinste dingen zoals ‘poepen’ en gedurende het leven je steeds meer van jezelf en elkaar gaat vragen. Poepen wordt opeens heel gewoon.

Soms verwachten mensen teveel van zichzelf. Draaien uiteindelijk door, krijgen kortsluiting en eindigen net als dit meisje in een psychiatrische inrichting.

Het is cliché, maar clichés zijn vaak waar dus ik ga het toch zeggen: Het zijn de kleine dingen die ertoe doen! En die echt het verschil maken. Dus maak je niet al te druk. Het is het niet (altijd) waard. En bedenk even wanneer je voor het laatst stil hebt gestaan bij wat je allemaal bereikt hebt en hoe trots je eigenlijk op jezelf mag zijn. Of op elkaar.