Blogs & Columns

#KersOpDeTaart

‘Hoeveel vingers steek ik op,’ vroeg ik aan de mevrouw die op het onderzoeksbankje lag. Ze zag er verwaarloosd uit. Haar haren leken dagen niet gekamd, haar kleren waren vies en als haar zoon er niet bij was geweest en het verhaal die hij teruggekoppeld had gekregen van de thuiszorg mij niet had verteld, had ik mezelf er voluit van overtuigd dat ze op straat had gelegen een aantal dagen.

De arts-assistente die mij begeleidde had plaats genomen achter de computer en tikte het verhaal en lichamelijk onderzoek mee, zodat we tijd zouden winnen. Het was nogal druk op de spoed eisende hulp en zo zou het net iets sneller gaan. De vrouw bleef verward naar mijn vingers kijken. ‘Kunt u het plafond aanwijzen?’ besloot ik haar te vragen. Een iets makkelijkere vraag om uit te zoeken of ze begreep wat ik allemaal zei en simpele opdrachten kon uitvoeren.

‘Ma, wijs eens het plafond aan,’ herhaalde haar zoon mijn vraag. Ze keek mij twijfelachtig, verward maar met een vriendelijke glimlach aan en ik had zo erg met haar te doen. Ik kon het niet helpen om mij in te beelden hoe ze een aantal uren of misschien zelf dagen half verlamd op de vloer had gelegen. Angstig, rillerig en misschien zelfs hongerig. Heel even leek mijn hart te breken. Ik herhaalde weer de vraag en gaf haar even de tijd. Maar ze bleef mij onbegrepen aankijken, reikte haar hand naar mijn gezicht en begon mijn wang te strelen. Alsof ze mij jaren niet heeft gezien en nu vol ongeloof zat. ‘Nee lieverd, dat is mijn wang. Het plafond. Kunt u die aanwijzen?’ vroeg ik geduldig en deed haar hand voorzichtig weg.

‘Weet u wat dit is?’ vroeg ik haar, terwijl ik mijn pen die ik uit mijn jaszak haalde voor haar hield. Ze had er amper aandacht voor, haalde haar schouders op en reikte weer naar mijn gezicht. ‘Doet ze je aan iemand denken, ma?’ vroeg haar zoon. Ze keek hem aan, maar gaf er geen antwoord op. Ik had het idee dat ze ons niet begreep en niet kon praten om het ons te vertellen. ‘Normaal is ze helemaal niet zo,’ zei haar zoon vervolgens. Hij vertelde dat ze altijd lief, grappig en spraakzaam is en haar niet terug herkend. Inmiddels was de arts-assistente aangeschoven en voerden we verder het lichamelijk onderzoek uit. ‘Moeilijk instrueerbaar,’ tikte ik onder het kopje ‘lichamelijk onderzoek’ nadat we helemaal klaar waren. Maar instrueerbaar genoeg om milde krachtverlies aan een kant van het lichaam vast te stellen.

Nadat we overlegd hadden met de supervisor werd er besloten om aanvullend onderzoek te doen en de patiënte op de afdeling op te nemen om de afasie (het bovenbeschreven beeld van iemand die niet meer kan praten en/of taal verstaan) te analyseren en zo goed mogelijk te behandelen in de hoop op verbetering.

Een week (of twee/drie?) later was mijn spoeddienst voorbij en mocht ik weer op de afdeling staan. Tijdens het dagelijkse visiterondje kwam ik haar ook tegen. Ze leek mij niet terug te herkennen. Iets wat kan passen bij een beroerte. Of misschien had ik geen indruk gemaakt. Maar ze liep weer. Met een rollator, maar toch..ze liep! En als de kers op een taartje, voerde ze vrolijk in vloeiend Nederlands een praatje met een van de andere patiënten op de afdeling. Ze heeft geluk gehad. Of eigenlijk had ik geluk. Dat ik ondanks de ernstige beelden ook een keer een positieve verbetering in een van de patiënten kon zien.

#TweeKwaden

Pasen heeft sinds vorig jaar een bijsmaak gekregen voor mij. Het was niet meer een onschuldig christelijke feestdag met chocolade paaseieren en een vrolijk springende paashaas. Het deed mij nu vooral denken aan een patiënt. Ik kan mij nog goed herinneren hoe hij, in zijn kamer, de eenvoudige ziekenhuisstoel naast het raam had gezet en naar buiten zat te turen. De zon scheen fel op zijn dikke bos grijze haren. Onder zijn hemd stak een doorzichtig buisje, of beter gezegd een drain, en volgde een weg naar een blauw doosje met allemaal toeters en bellen waar ik verder geen verstand van had. Hij had het doosje op de grond tegen de stoelpoot aan gezet.

De longarts klopte zachtjes, met zijn knokkels, tegen de deur aan. Ik voelde mij bezwaard op erbij te zijn. Maar ook dankbaar. Drie mensen stonden nu voor de patiënt, in hun intimiderende witte jassen; de longarts, de arts-assistent en ik. Ik deed de deur achter ons dicht en de patiënt zette zichzelf rechtop in zijn stoel. Hij gaf ons een hand en bleef ons afwachtend aankijken. ‘Ik heb helaas geen goed nieuws voor u,’ begon de longarts. ‘Ik had gehoopt dat uw vrouw er ook al was, wilt u anders dat we terugkomen als uw vrouw er is?’ De patiënt keek ons verslagen aan, alsof hij al kon ruiken dat het niet goed was. Maar ergens had hij nog een klein sprankje hoop en die kwamen we nu van hem afnemen.

‘Nee, mijn vrouw kan er vandaag niet bij zijn. Vertelt u maar dokter.’ Er viel een korte stilte, daarna begon de longarts verder te vertellen: ‘De punctie laat inderdaad kwaadaardige cellen zien.’ De patiënt sloeg zijn hand voor zijn mond en bleef de longarts aankijken. Ik zag zijn ogen langzaam vochtig worden en voelde dat mijn ogen ook begonnen te branden. ‘U heeft longkanker,’ liet de longarts de bom uiteindelijk vallen. Voorzichtig, kort en vooral heel krachtig. Zo een lelijke ziekte, kan je niet mooi brengen. Hoe goed je er ook op oefent. Niet erom heen praten, niet meer de patiënt onnodig in spanning houden, maar zeggen waar het op staat zodat we verder kunnen denken.

‘En nu?’ vroeg de patiënt haperend. Hij probeerde zich groot te houden en zijn tranen te bedwingen, maar het lukte hem niet. Het leek alsof iemand mijn hart stevig vast greep en genadeloos dichtkneep. Ik kan veel hebben. Bloed, openliggende buiken en benen, gekraak van botten, maar een ding heb ik een grote zwak voor. En dat is mannen die huilen. Het breekt letterlijk mijn hart. De longarts vertelde hem wat het plan was, dat hij nu nog niet naar huis kan, omdat de thoraxdrain nog even moest blijven zitten tot hij compleet van zijn klaplong af was. Het punt was namelijk, dat deze patiënt een punctie kreeg van de longen nadat er op de longfoto iets werd gezien wat er niet hoorde. Een complicatie die daarbij kan optreden, is een klaplong. Een hele kleine kans, daar had deze patiënt het wel mee ‘getroffen’.

‘Maar, het is morgen Pasen. Kan ik niet naar huis en dan na Pasen weer terugkomen?’ vroeg de patiënt hoopvol. De longarts wierp een blik uit het raam, waardoor de patiënt zich naar de arts-assistent wendde, die haar mond opende om iets te zeggen, maar ze hield het bij een zucht en besloot stil te blijven. ‘Ik kan dat helaas niet goedkeuren. U heeft nog een drain en het is niet verstandig om u daarmee naar huis te laten gaan. Het spijt mij,’ zei de longarts gemeend. Zijn stem klonk machteloos met een vleugje teleurstelling in zichzelf. Alsof hij eigenlijk had willen zeggen: ‘Absoluut, u mag naar huis. Haal die drain er maar uit dames. Want wie weet, is dit misschien zijn laatste Pasen.’

#WannabeHeldin

‘Pff, eindelijk lunchtijd,’ zei mijn collega coassistente en nam tegenover mij plaats in de kantine. Ik sloeg mijn handen over elkaar heen en plaatste ze op de tafel om vervolgens mijn hoofd erin te begraven. ‘Zo, jij hebt er geloof ik geen zin meer in,’ grinnikte ze. ‘Nee, ik heb het helemaal gehad met de coschappen,’ mopperde ik en hield mijn hoofd verstopt. ‘Ik vraag mij af waar ik ooit aan begonnen ben.’ ‘Dat vragen we ons allemaal af,’ zei ze en propte een grote hap van haar brood in haar mond. ‘Maar, dit is jouw droom toch? Dokter worden. Dus kom op nou do,’ vervolgde ze met volle mond.

Ik ging weer rechtop zitten en keek om mij heen. Een paar tafels verderop zaten de arts-assistenten. Het tafeltje ernaast de verpleegkundigen en daarnaast een tafel waar de specialisten zaten. Het deed mij denken aan een Amerikaanse high school film. De tafel waar de specialisten aan zaten, was de cool kids tafel. Daar wilde je bij horen. Zo wilde je ook zijn. ‘Het duurt allemaal zo lang,’ klaagde ik en speelde met een stukje overgebleven komkommer op mijn bord. ‘Ja. Het duurt zeker lang. Maar we komen er wel. Ooit op een dag holt er een coassistent achter jou aan en maak je haar of hem aan het huilen,’ grapte ze.

Ik moest wel een beetje grimassen om die gedachte. Buiten het ziekenhuis hemelen mensen je op, omdat je voor dokter studeert. Maar in het ziekenhuis weten ze heel goed waar je plekje is. Op een krukje, helemaal onderaan de ladder. ‘Ik ga maar weer eens naar de Traumapoli,’ zuchtte ik, stond langzaam op omdat ik mij opeens tien jaar ouder voelde en nam mijn dienblad mee.

Op de Traumapoli werd ik door de gipsmeester gelijk gewezen naar de eerste patiënt. Ik wierp nog snel een blik op het computerscherm om te kijken waar de patiënt voor kwam voor ik naar het jongetje liep. ‘Joeri?’ vroeg ik en stak mijn hand naar een jongen van een jaar of acht die mij met grote grijsblauwe ogen verwonderd aankeek. ‘Hoe weet u mijn naam?’ stotterde hij. Ik trok mijn wenkbrauwen op en zei nonchalant: ‘Ach, dat staat gewoon in de compu-.’ Ik slikte mijn laatste woord in, omdat het jongetje mij bleef aankijken alsof ik een heldin was en ging maar snel verder: ‘Goed Joeri, het gips mag er denk ik wel af. Mijn collega komt zo nog even kijken. En je mag lekker weer alles doen met je arm. Maar niet weer gaan vechten hoor.’ Zijn blik ging van zijn moeder naar mij en van mij weer naar zijn moeder. ‘Hoe weet ze dat toch,’ fluisterde hij.

Als coassistent heb je evenveel geduld nodig als je patiënten. Soms moet je ellenlang in de wachtkamer wachten als een verloren puppy, omdat de patiënt je er niet bij wilt hebben. Soms moet je als een vergeten natte krant op een krukje in een donker hoekje gaan zitten en vechten tegen het gapen, omdat het nogal onprofessioneel overkomt. Soms loop je de marathon achter de arts-assistent aan en wandel je per ongeluk mee de wc in, omdat arts-assistenten ook moeten plassen maar je hem of haar niet uit het oog wilt verliezen.

Blunder, na blunder, na blunder. Maar dan heb je af en toe zo een ‘Joeri-momentje’. En dan weet je het weer. Ooit ben je een echte held(in), maar tot die tijd leer je nog even geduldig te zijn.