#WieNietHorenWil2

‘Zal ik je haar verder omhoog steken,’ vroeg ik, terwijl ik naar haar keek in de spiegel. Ze schudde haar hoofd en bracht haar sigaret naar haar lippen. Terwijl ze een hijs nam, keek ze mij aan. Haar ogen maakten altijd een vriendelijke buiging als ze glimlachte. Ze wist dat ik haar gerook afkeurde, maar ik zei er niets meer van. Van al dat gerook, had zij een beroerte gekregen. Maar het kon haar weinig schelen. Ze had immers 72 mooie jaren achter de rug.

Ondanks het generatieverschil kon ik haar alles vertellen. Ze leek mij te begrijpen, ook al zei ze vaak niks terug en knikte ze alleen maar. Ze had na haar beroerte een taalstoornis overgehouden. Afasie op z’n medisch gezegd. Hierdoor kwam ze vaak moeilijk op woorden.

Tussen de rimpels die de tijd op haar gezicht had getekend en het doodgaan in, had ze haar kansen op een paar extra jaartjes met levenshoop gemeten. Ze was echt een levensgenieter. Een zoetekauw. Zo ontbeet ze altijd met twee crackers met roomboter en heel veel suiker erop en deed ze in haar koffie meer suiker dan melk. Toch was ze voor haar leeftijd een ontzettend mooie vrouw.

Toen ze een tweede beroerte kreeg, werd haar lichaam te moe. En haar ziel leek opeens te groot voor haar sneller mager wordende lichaam. De ketting die ik haar had gegeven, toen ze hem om mijn nek zag hangen en ‘oh zo mooi’ vond, hing nog om haar nek heen toen ze op haar sterfbed lag. Ik besefte toen hoe gehecht ik was geraakt aan haar. Gek hoe dat onbewust gebeurd en je het pas door hebt als alle grenzen gepasseerd zijn en de ijskoude klap uit een onverwachte hoek komt.

Zo ontmoet je soms mensen die het diepste van je ziel raken. Mensen waarvan je nooit had verwacht dat het goede vrienden konden worden. Vriendschap heeft geen kleur, leeftijd of ras. Maar het heeft wel grenzen. Ik besefte het mij alleen te laat. Een van die grenzen zijn patiënten.

#WieNietHorenWil

Het nadeel van werken in de zorg, ofja eigenlijk al het soort werk met mensen, is dat je jezelf emotioneel moet onderdrukken. Of je nou advocaat, politieagent of conducteur bent, werken met en voor mensen neemt altijd een zware lading met zich mee.

Zo kwam ik na mijn eerste college dag Geneeskunde erachter dat ik toch niet zo stoer ben als mijn petje, bandana of muts mensen deed denken. Ik kan het mij als de dag van gisteren nog herinneren hoe ik stoer de collegezaal in liep, met Tupac in mijn oortjes, en op de derde rij plaatsnam op een half afgebroken collegestoel. Ik bestudeerde aandachtig elk student die de zaal binnen liep en vroeg mezelf af wie van hen mijn mattie zou worden.

Maar een jongetje viel mij het meest op. Een klein blond jongetje van een jaar of acht zat helemaal vooraan op de eerste rij, tussen een jonge vrouw met roodbruine krullen en een wat oudere grijze man in.

Toen de zaal langzamerhand vol raakte en de klok half 9 sloeg, stond de grijze man op. Het werd nu duidelijk dat hij een witte doktersjas aanhad. En terwijl de laatste paar studenten nog binnenstormden, richtte hij zich naar de zaal en begon zijn introductie met: ‘Welkom jong collega’s.’ Ik kreeg er spontaan kippenvel van. ‘Wauw, ik hoor er echt bij nu,’ hoor ik mezelf nog steeds denken.

Een half uur later stelde hij het kleine mannetje voor. Niet als zijn zoon of een ambitieus jongetje die een dagje mee wou kijken. Nee. Hij stelde hem voor als zijn patiënt. En terwijl ik in strijd was met mijn tranen binnen te houden en mijn kippenvelhuidje voor het blonde meisje dat naast mij was komen zitten te verbergen, luisterde ik aandachtig hoe het kleine jongetje, dapper en sterk dat hij was, aan 400 nieuwsgierige studenten vertelde hoe hij kanker had verslagen.

Die dag, heb ik in de trein onderweg naar huis gehuild tot mijn ogen rood aansloegen. Het kleine schattige jongetje, had de stoere meid in mij hard verslagen. Als arts in spe leer je vanaf dag 1 dat je afstand moet nemen van patiënten. Op emotioneel niveau dan. Het is nogal lastig om iemands bloeddruk te meten op vijf meter afstand. Ze leren ons ‘hard’ te zijn. Even vergeten dat je mens bent. Ik nam het altijd met een korreltje zout en dacht: ‘Dat overkomt mij toch niet!’ Het tegendeel is echter waar. I had to learn, the hard way.

#ToTheLeft

“Je moest naar links dombo,” riep mijn broertje naast mij in de auto. “Ik ben toch naar links gegaan,” antwoordde ik kalm. “Je bent naar rechts gegaan, aap.” Hij hield zijn hand voor mijn gezicht, vormde een L met zijn duim en wijsvinger en zei: “je kunt met je linkerhand een L maken, zo weet je wat links en rechts is. Handig ezelsbruggetje voor ezels als jij.” Ik keek hem scheef aan en zei: “Sorry hoor, maar met mijn rechterhand kan ik ook een L maken.” Terwijl ik hem liet zien hoe dat moest, gaf hij zichzelf een facepalm. “Waarom heb ik jou ook laten rijden,” mompelde hij, nadat ik de volgende afslag ook verkeerd had genomen.

Het is echt niet zo dat ik het express doe. Of dat ik maar twee hersencellen heb, zoals mijn broertje dat altijd zegt en denkt over mij. Ik kan er oprecht niets aan doen. Ik weet niet wat links en rechts is, maakt niet uit in welk taal het tegen mij gezegd wordt. Ik doe het altijd fout. Vooral als ik er over na moet denken, gaat het al rampzalig verkeerd. Ik ben zelfs voor mijn rijbewijs gezakt, omdat ik de berm inreed. Ik was zo erg bezig met “wat is links en rechts” dat ik niet goed op de weg lette en het een goed idee vond om de berm in te rijden. Mala, een vriendin van mij, durft ook niet meer bij mij in de auto. Laatst kwam ik haar vader tegen en die hoorde ik toen tegen zijn vrouw fluisteren: “dat is die vriendin van Mala die gek autorijdt.”

Volgens dokter R, mijn snijzaal docent, heb ik mijn “roeping” gevonden. “Je moet chirurg worden,’ zei hij overtuigd terwijl ik, half voorover gebogen over het lijk hing en voorzichtig de huidlaag van de onderliggende vetlaag scheidde. Een paar medestudenten stonden aandachtig om mijn tafel heen te kijken hoe ik dat vlekkeloos deed. Dat was het hoogtepunt van mijn carriere wat betreft chirurgie.

Ik vind snijden best wel leuk hoor. Sterker nog, ik heb een keer in het Algemeen Dagblad gestaan met als titel “Snijden is mijn Passie.” Maar dat verhaal vertel ik wel een ander keer. Ik denk dat het gewoon niet handig is voor mij om chirurg te worden. Ookal zouden ze een dikke kruis tekenen op de been of arm die behandeld moet worden, zou ik het hoogstwaarschijnlijk alsnog verkeerd doen.
Ik wil niet op mijn geweten hebben dat ik de verkeerde been amputeer of in de verkeerde hersenhelft boor.

Nee, om het eerste principe van de arsteneed “do no harm” in ere te houden, is het beter dat ik niks snijdens doe.

#DokterOfzo

‘Hey, ik hoorde dat je voor dokter studeert,’ kwam ze hijgend zeggen. ‘Mag ik je wat vragen?’ ‘Tuurlijk,’ zei ik vriendelijk. ‘Ik heb een overbuurman in Turkije,’ begon ze. Ik knikte aandachtig. ‘Hij heeft last van zijn maag de laatste tijd, die arme ziel,’ vertelde ze verder. ‘Ik heb hem beloofd dat ik het voor hem zou navragen in Nederland. Wat denkt je dat hij heeft?’

Ik denk dat iedereen die in de zorg werkt, hierover kan meepraten. Zodra mensen weten dat je een beetje verstand hebt van het menselijk lichaam komen ze met allemaal kwaaltjes en klachten bij je uitstorten. Ik stoor mij er niet aan als het over de persoon zelf gaat. Maar kom op, je overbuurman in Turkije?!

Ik glimlachte en besloot haar toch te helpen door een aantal vragen over haar overbuurman te stellen: ‘Hoe oud is hij, hoe lang heeft hij al last, is hij afgevallen?’ Nadat ze al mijn vragen had beantwoord, keek ze mij met wijd gesperde ogen aan en vroeg weer: ‘En, waar denk je aan?’ Ik dacht aan die mooie schoenen die ik laatst bij de Sacha had gezien, en hoe je de tweede paar voor 50% korting kon meekrijgen. Ik dacht aan een overheerlijke warme wafel met chocoladesaus en spikkelsnoepjes, zoals mijn vriendin Sem ze altijd noemt. Ik dacht aan mijn baby neefje die gisteren een harde boer in mijn gezicht blies. Ik heb toen een half uur in een deuk gelegen erdoor. Ik dacht aan van alles, behalve aan haar overbuurman.

Misschien denk je nu, wat koudbloedig van je Do. Maar ik heb die man nooit gezien. Om haar vraag serieus te beantwoorden, moet ik die man zien, aan zijn buik voelen, kijken of hij überhaupt nog een maag heeft en hem persoonlijk de vragen stellen.

‘Je kunt het beste hem adviseren om daar een dokter op te zoeken,’ antwoordde ik. ‘Ja,’ sprak ze geïrriteerd. ‘Dat had ik zelf ook wel kunnen bedenken.’ Ze bekeek mij van top tot teen bekritiserend aan en spuwde de woorden: ‘ En dat moet dokter worden.’ Vervolgens trok ze haar tas verder omhoog naar haar schouder, hief haar neus de lucht in en sperde stampvoetend weg.

Doei.

#RoodVanBinnen

‘Ik ga hem echt niet behandelen hoor,’ riep ze gefrustreerd en zwaaide met haar armen alsof ze daarmee nog duidelijker haar standpunt wilde maken. ‘Waarom zou ik hem behandelen als hij mij geen hand wil geven, omdat ik een vrouw ben?’ Met haar schouders en handen maakte ze het internationale gebaar van ‘wtf’. Ze had het over een oude Marokkaanse man die voor zijn suikerziekte kwam. Gewoon een simpele controleafspraak. Hij wilde deze rosblondige jongedame in haar witte jas geen hand geven, wat ze behoorlijk beledigend opvatte.

‘Je moet het niet zien als een belediging,’ zei ik kalmpjes. ‘Geen belediging!? Wat is het dan wel?,’ antwoordde ze schruw. ‘Luister eens do, wat hij thuis allemaal doet en zegt tegen zijn vrouw en kinderen moet hij zelf weten, maar hier in Nederland worden wij vrouwen niet onderdrukt,’ vervolgde ze zonder adem te halen en gaf met haar hand een klap op de tafel. Zo zeg, die Marokkaanse man is klaarblijkelijk zwaar op haar tenen gaan staan.

‘Ik bedoel meer dat jij de boodschap er achter niet begrepen hebt,’ zei ik en gaf haar een aai over haar schouder. Ik had ergens met haar te doen, ze begreep er niets van. ‘Hij geeft je geen hand uit respect. Niet omdat hij denkt dat jij vanmorgen aan je kont hebt zitten krabben en je handen niet hebt gewassen. En al helemaal niet omdat hij vind dat vrouwen lager zijn of onderdrukt moeten worden,’ legde ik uit. Ze keek mij verbaasd aan. ‘Uit respect?’ herhaalde ze vragend. Ik glimlachte en zei: ‘Ja, hij dacht waarschijnlijk, deze mooie jonge dame wilt vast niet dat een lelijk oud mannetje aan haar zit. Laat ik mijn handen maar bij me houden.’ ‘Ha,’ zei ze treuzelend en kneep haar ogen dicht, zoals ze altijd deed als ze nadacht. ‘Als je het hem vraagt, zal hij waarschijnlijk het zelfde zeggen,’ beaamde ik. Ze stond op en liep naar de kamer waar de oude Marokkaanse man buiten stond te wachten. Na een paar woorden met elkaar gewisseld te hebben, hield ze op een gegeven moment haar hand op haar hart, wat aangaf dat ze zich verontschuldigde. Vervolgens liepen ze samen het kamertje in, alsof er niets aan de hand was.

Een van de vier principes die elk arts geleerd krijgt is ‘behandel iedereen rechtvaardig.’ Toch kom ik soms collega’s tegen, waarvan ik denk: ‘Jij hebt het niet helemaal begrepen.’ Niet dat ze slecht zijn in hun vak hoor, integendeel zelfs. Maar sommigen hebben een heel scheef beeld over bepaalde bevolkingsgroepen. Zou je niet zeggen hé, van al die intellectuelen.

Al helemaal gek in een stad als Rotterdam, waar letterlijk geen enkel mens hetzelfde eruit ziet. We kunnen zoveel van elkaars culturen en talen leren. Elk mens die je tegenkomt, draagt kennis met zich mee. Bovendien heb ik in de operatiekamer al meerdere malen gezien, dat het gezegde ”We zijn allemaal rood van binnen’, helemaal waar is.