#XTC

Terwijl ik in de artsenkamer, uit verveling, naar enge ziekten aan het googlen was, hoorde ik op de gang de artsassistent aandenderen met nog een paar onbekende voetstappen. Vrolijk riep hij de kamer in: “Dokter doooooo.” Ik forceerde een glimlach en groette terug. De onbekende voetstappen bleken van de nieuwe oudste-coassistent te zijn. “Hoi, jou heb ik nog geen hand gegeven,” groette ik hem vriendelijk en schudde zijn hand. De artsassistent plofte vervolgens neer op de stoel naast mij en zei: “we krijgen zo een nieuwe opname vanuit de SEH. Ik denk dat het wel een leuke patient is voor jou om op te nemen.” “Hoezo voor mij?” vroeg ik.

“Nou, het is een jonge knaap. Jij was toch nog vrijgezel,” lachte hij sullig. Ik keek verveeld naar hem en besloot er niet om te lachen. “Nee even serieus, waarom een leuk patient voor mij. Heeft hij Lupus?” De oudste coassistent grinnikte: “It’s never Lupus.” Een quote van dr.House omdat die ziekte bijna nooit voorkomt.

“Nee, hij heeft geen Lupus. Maar waarschijnlijk Rhabdomyolyse. Jij mag uitzoeken hoe hij eraan komt.” “Aha,” knikte ik, stond op en sjokte weg om aan een van de verpleging te vragen mij op te piepen als de patient op de kamer lag. Bij rhabdomyolyse gaan spiervezels in grote hoeveelheden kapot. In het bloed kunnen we dat zien aan een bepaald stofje wat extreem verhoogd is.

Toen de patient er eenmaal was, inderdaad een jonge knaap die behoorlijk afgetraind was en de zusters al grinnekend zijn kamer uitliepen, hoorde ik ze nog fluisteren: “Leuke knul joh.” Ik liep zijn kamer binnen en begon al met mijn waterval aan vragen. Hij vertelde dat hij gisteren op een feestje was, een paar pilsjes had gedronken met zijn maten en vanochtend opeens niks meer kon bewegen van de pijn. Heel zijn lichaam deed zeer, alsof hij flink had staan sporten. Daarnaast was hij ervan overtuigd geen drugs of andere gekke pilletjes te hebben gebruikt op het feestje. Zijn bloed zei echter andere dingen in het lab.

Eigenlijk wist ik al bijna zeker dat hij op dat leuke feestje gisteravond een pilletje had gebruikt. Zijn moeder zat bezorgd naast hem aan zijn bed en keek mij vol verwachting aan, nadat ik het gesprek afsloot en zei: “Ik kom later op de dag nog terug met mijn collega om het plan met jullie te bespreken.” “Ik moet straks mijn jongste zoon ophalen van school, hoelaat komen jullie terug met het plan?” vroeg ze. “Aan het eind van de middag.”

Een uur later ging ik terug naar de jonge knaap, in de hoop dat zijn moeder al weg was. En dat was ze. Hij zat gezellig te kletsen met de verpleegkundige. Ik vroeg haar of ze even de kamer wilde verlaten, omdat ik nog het een en ander met de patient wilde bespreken. “Tuurlijk,” zei ze vriendelijk. “Hey, we hebben eens goed na zitten denken. Mijn collega’s en ik en jouw bloeduitslagen kunnen passen bij een spierziekte. Maar omdat het zo plotseling begonnen is, denken we meer aan XTC.” Zijn gezicht trok even bleek weg. “Ik begrijp dat je in het bijzijn van je moeder niet durft toe te geven dat je een pilletje hebt gebruikt. Maar, als je wilt dat wij jou helpen, hebben wij wel de juiste informatie van jou nodig.” Hij keek bedenkend naar de grond en zei toen fluisterend: “Klopt, ik heb XTC gebruikt.” Ik gaf hem een klop op zijn schouder en zei vriendelijk: “Had dat dan meteen gezegd. Had ons een hoop tijd gekost.” Hij lachte verlegen.

#NietAanstellen

Hij zat er niet bij alsof hij nu elk moment met spoed geholpen moest worden. Toch was hij hier, op de spoed eisende hulp. Ik stak mijn hand naar hem uit en stelde mijzelf netjes voor. ‘Waar komt u voor?’ vroeg ik hem. Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik moest van de huisarts hierheen komen. Hij denkt dat mijn enkel gebroken is.’ ‘Oh? En dat denkt u zelf niet?’ Ik keek rond in de kamer op zoek naar een rolstoel of krukken, want een man met een gebroken enkel kon in geen enkele mogelijkheid lopend gekomen zijn. ‘Ja, misschien. Hij is nog steeds dik,’ zei hij en rolde zijn broekspijp omhoog. ‘Hoe bent u eigenlijk hierheen gekomen?’ vroeg ik nieuwsgierig. ‘Gewoon lopend,’ zei hij alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Ik keek naar zijn enkel en zag dat het inderdaad in vergelijking met zijn andere enkel wat dikker was. ‘Ja hij is inderdaad wat dikker, wat is er precies gebeurd? Bent u gevallen?’

Hij zuchtte diep en sloeg zijn blik naar het plafond. ‘Het gebeurde een aantal maanden geleden. Ergens in juni geloof ik. Ik was toen aan het fietsen, raakte mijn evenwicht kwijt en viel.’ ‘En wat gebeurde er daarna? Kon u toen gelijk weer opstaan en lopen?’ Hij keek mij bedenkend aan. ‘Ja, het deed wel pijn. Maar ik dacht, stel je niet aan en vooruit met de geit.’ Ik moest erom lachen. ‘Maar wat denk je, is die gebroken?’ vroeg hij en keek naar zijn dikke enkel. ‘Dat kan ik aan de buitenkant niet zien. Ik heb een foto aangevraagd, ze kunnen u elk moment op komen halen om een foto te maken van uw enkel.’ ‘Aha, en gaat dat lang duren? Ik wil graag snel terug naar werk.’ Net op dat moment kwamen twee laboranten aanlopen om hem op te halen voor de foto. ‘Kijk eens, ze zijn er al. Ik zie u weer nadat de foto gemaakt is.’ ‘Heeft meneer ook een rolstoel?’ vroeg een van de laboranten. ‘Ben je mal? Rolstoel? Ik kan gewoon lopen hoor,’ zei hij, stond op en liep volkomen normaal met de twee dames mee.

Een half uur later liep ik weer terug naar de patiënt, samen met de arts met wie ik de foto had bekeken en besproken. ‘Het is wonderbaarlijk hoe u al die tijd op die enkel hebt gelopen met zo’n flinke breuk,’ vertelde de arts. ‘Als u een paar maanden terug gelijk was gekomen, dan hadden we u hoogstwaarschijnlijk geopereerd. De breuk is nu stabiel en een operatie is nu niet nodig.‘Ja, ik heb er ook geen last van. Het is alleen die zwelling. Voor de rest kan ik er alles mee doen, kijk maar,’ hij bewoog zijn enkel even alle kanten op. ‘Ik heb zelfs ermee rondgelopen in de duinen. Niet aanstellen, gewoon doorgaan,’ grinnikte hij.

We hebben deze patiënt ontslagen met een drukverband en hem geadviseerd wat rustiger aan te doen. Toen ik hem zijn hand schudde en hem ‘wel thuis’ wenste, reageerde hij met: ‘Ik ga niet naar huis. Ik ga werken, kind.’

Wat een held!

#MountainHigh

‘Psst,’ hoorde ik iemand in een verscholen hoekje in de bieb zeggen. Ik keek achterom om te kijken wie het was en herkende deze dokter aan zijn halflange oranjebruine haren meteen. Ik glimlachte naar hem en vroeg hem hoe het ging. Hij wees grijnzend naar de berg papieren die voor hem op tafel lag en zei grinnikend: ‘Wat denk je zelf.’ ‘Tja, the life we chose,’ dacht ik.

Want dit is hoe het werkt in de Geneeskunde. Je bent nooit uitgeleerd, ook al heb je die diploma straks op zak en mag je eindelijk jezelf dokter noemen. You still got a very long way to go. Je kunt het vergelijken met een hoge berg. Het lijkt dichtbij, maar als je eenmaal die berg probeert te benaderen besef je wat voor pokke-end het eigenlijk is. Om maar niet te spreken over al die obstakels op te weg, de verkeerde afslagen die je hebt genomen en af en toe moeten omrijden om achteraf jezelf een facepalm te geven omdat je zo akelig dom bent geweest en de route beter had moeten uitstippelen. You learn along the way.

It’s perfectly normal. Want vroeg of laat, bereik je die berg wel. En die berg is opeens groter en hoger dan je van een afstand had verwacht. Ook lijkt opeens die mooie uitzicht die je van een verte had, verdwenen te zijn. Je ziet namelijk door de bomen het bos niet meer, of in dit geval door die ‘oh zo mooie’ berg. Maar skitt, je bent er! En nu ga je dat ding beklimmen ook. Ik heb mij laten vertellen dat hoe hoger je klimt, hoe beter je uitzicht wordt. Dus het komt allemaal goed. I guess.

Na alle obstakels, omwegen, blessures, schrammen en eventuele botbreuken bereik je na jaren trainen de top van de berg. En damn, wat een heerlijk uitzicht zul je daar hebben.

‘Wat doe jij nog zo laat in de bieb dan?’ vroeg hij mij fronsend. ‘Leren voor mijn MAK-toets,’ zei ik en liet mijn schouders hangen. ‘Ah joh! Makkie, die ga je wel halen. Zet hem op.’ Hij knipoogde, haalde zijn pen van achter zijn oor vandaan en begon verder te studeren. Geinig genoeg motiveren die arts-assistenten ons als coassistenten wel. Sommige hebben een motivatie en wilskracht in hun ogen, waar ik alleen maar U tegen kan zeggen.

Stiekem vraag ik mij af of wij als coassistenten hun ook motiveren. Of ze zichzelf in ons herinneren en denken; ‘Ik was ook ooit daar begonnen. Wat ben ik eigenlijk toch ver gekomen tot nu toe.’

Ain’t no mountain high enough…

#SEH

Mijn maag protesteerde bij elke stap die ik richting de SEH nam en ik voelde mij zenuwachtiger dan ooit te voren. Ik had totaal geen idee wat mij te wachten stond. Zou het echt zo hectisch zijn als op t.v? Met brancards hier en daar en artsen zittend op hun patiënten om ze te reanimeren, terwijl de ambulancebroeders ze rennend door de gangen naar de traumakamer rijden.

‘Hoi, ik ben de coassistent van de Interne Geneeskunde,’ kwam er een piepend gekraak uit mijn mond, toen ik eenmaal bij de aanmeldbalie van de SEH stond. Een Marokkaanse man achter de balie keek mij met een brede glimlach aan en zei: ‘Kom binnen kind. Welkom!’ De arts-assistent van de Interne zat al achter een computer hard statussen door te nemen en tussendoor zijn pieper op te nemen. ‘Hoi, ik ben Doa. De co van de interne,’ stelde ik mezelf voor aan hem. ‘Goed, ga alvast zitten! Meld je aan op een computer. Ik leg je zo alles uit.’ En dat deed ik. Ik ging braaf mij aanmelden op een van de computers en wachten.

Tussendoor kwamen verpleegkundigen mij vragen of ik een astrup kon prikken bij een patiënt en natuurlijk moest ik met “Nee” antwoordden, want dat mocht ik nog niet doen zonder toezicht de allereerste keer. Ik voelde mij continue bekeken door de verpleging en andere arts-assistenten alsof ze zich afvroegen waarom ik niks aan het doen ben en rondjes aan het draaien ben op mijn stoel.

Anderhalf uur later, duizelig van het rond gedraai en alle drukte op de SEH, had de arts-assistent eindelijk tijd voor mij. ‘Kom, ik ga je even rondleiden.’ Een rondleiding van niks. Amper een half minuut heeft het geduurd. Maar hij kon er ook niks aan doen dat het zo druk was.

Aan het eind van mijn avonddienst, dat ondertussen een nachtdienst was geworden, werd mij duidelijk dat je op de spoed niet gegarandeerd bent van een computer. Zodra je weg bent naar een patiënt wordt je computer door een ander ingenomen. Ook werd mij duidelijk dat patiënten nogal flink om je tenen kunnen gaan staan als ze te lang moeten wachten, je de patiënten absoluut niks te eten en te drinken mag aanbieden omdat ze nuchter moeten blijven en most important, dat je soms hard aan de witte jas van de arts-assistent moet trekken, omdat je patiënt anders uren kan blijven wachten totdat je hem kan overleggen.

‘Het zit erop. Dankjewel voor je hulp. Tot morgen,’ zei de arts-assistent aan het eind van mijn SEH-dienst. Half verdoofd nam ik afscheid van de verpleegkundigen, arts-assistenten van de chirurgie, neurologie en alle andere goede mensen die daar rond liepen. En wanneer ik bij mijn kluisje sta, mij heb omgekleed en mijn spullen in mijn rugtas heb ingepakt, besefte ik mij dat ik het overleefd had. En dat het achteraf toch allemaal wel meeviel.

Nu, na zoveel SEH-diensten verder kan ik zeggen dat het een van mijn lievelingsplekken in het ziekenhuis is geworden. Het gezoem in je oren van alle piepende apparatuur en de stilte die je opeens overvalt elke keer als je de SEH verlaat, alsof je net in een droom zat. Bloed, zweet en tranen op je witte jas die je aan het eind van de avond (of begin van de nacht) mag uittrekken. En al die patiënten, die een indruk bij je achterlaten. Het leuke SEH-personeel die je altijd weet op te fleuren. Het gevoel, echt al een soort van dokter te zijn. Dat maakt de SEH, voor mij, de meest leuke plek in het ziekenhuis.

#K3

‘Doet je pols nog zeer?’ vroeg ik het jonge meisje van een jaar of zes. Ze keek mij met wijd gesperde ogen aan en durfde niets te zeggen. ‘Evelien, wat hadden wij nou afgesproken? We zouden de dokter eerlijk vertellen als je pijn had hé?’ praatte haar moeder haar een beetje moed in. Ze keek haar moeder aan, deed haar ene hand voor haar mond, zodat ik niet kon liplezen wat ze naar haar moeder fluisterde.

‘Nee, je moet het niet aan mij vertellen maar aan de jonge dokter,’ zei haar moeder en wees naar mij. Het meisje keek mij weer aan en piepte zachtjes: ‘Ja het doet nog wel een beetje pijn.’ ‘Mag ik even naar je pols kijken?’ Ze knikte. En terwijl ik haar pols voorzichtig bewoog, vroeg ik haar waar ze haar coole T-shirt vandaan had. ‘Geen idee,’ giechelde ze. ‘Heeft mama voor mij gekocht.’ ‘Mooi hoor. Nou Evelien, je pols doet het hartstikke goed zo te zien.’ Ze klapte in haar handjes en riep zachtjes ‘En het deed helemaal geen pijn!’

‘Zie je Evelien. Het is allemaal niet zo eng hé. Jij wilt toch ook dokter worden?’ zei haar moeder. ‘Echt!? Wat leuk. Dan kunnen we later samen werken,’ zei ik enthousiast. Ze giechelde en vroeg: ‘Ben je de enige dokter hier?’ ‘Nee, we zijn hier met heel veel dokters. En er komt zo nog een dokter met mij meekijken naar jouw pols.’ Ze trok haar wenkbrauw omhoog en vroeg aarzelend: ‘Waarom?’ Haar moeder legde uit dat ik nog leer voor dokter en dat ik nog naar school ga.

Evelien moest erom lachen. ‘Ik ga ook nog naar school, maar ik heb nu vakantie. Waarom heb jij geen vakantie?’ Ik haalde mijn schouders op en wist even niets leuks erop te zeggen. Hoezo voor het blok gezet, door een klein kindje.

Als haar moeder even wordt weggeroepen vraag ik Evelien wat voor dokter ze later wil worden. ‘Ik wil eigenlijk geen dokter worden.’ ‘Oh, wat wil je dan worden?’ ‘Ik wil K3 worden,’ schaterlachte ze.

Zo zoet! Heerlijk hoe kinderen van die bizarre dromen hebben. Keep on dreamin’. Want netals Evelien, zijn jullie het waard.

#EenVakOmTrotsOpTeZijn

‘Zou je niet even een dweil kunnen pakken en het hier droog maken?,’ vroeg een oud mevrouwtje met een zonnebril op aan mij, terwijl ik bij de wasbak mijn handen aan het wassen ben. Ik was zo gefocust en geschrokken van mijn eigen reflectie in haar zonnebril, dat ik even haar vraag vergat te beantwoorden. Damn ik moet echt wat doen aan dat drol-look-a-like knot kapsel van mij, dacht ik even. ‘Sorry mevrouw, waar heeft u het over?’ vroeg ik vriendelijk.

‘Nou, dat plasje water onder die wasbak. Het wordt steeds erger. Die kraan lekt geloof ik.’ Ik keek even met haar mee naar de grond en inderdaad er lag een plas water. ‘Ja, maar daar ga ik niet over,’ antwoordde ik. ‘Oh, maar je bent toch een schoonmaakster. Wie gaat er dan over?’ Ik wist even niet waar ik meer van schrok, haar vooroordeel of mijn lelijke knot die ik weer in mijn reflectie zag. ‘Oh, nee sorry ik ben niet de schoonmaakster. Ik studeer voor dokter. Met die witte pakken lijken we allemaal op elkaar.’

Ze hield haar hand voor haar mond en mompelde verbaasd: ‘Oh wat erg, ik dacht dat je de schoonmaakster was. Oh ja, nu zie ik het aan je witte jas en dat dingetje dat uit jouw jaszak hangt.’ Ze bedoelde waarschijnlijk mijn stethoscoop. ‘Sorry, excuus. Wat stom van mij zeg dat ik daar gewoon automatisch van uit ga.’ Ik haalde mijn schouders op en gaf haar een klopje op haar bovenarm: ‘Het is helemaal niet erg hoor mevrouw. Schoonmakers hebben wij in het ziekenhuis hard nodig, zonder hen was het ziekenhuis vies en onhygiënisch. Een vak om trots op te zijn.’

Als ik niets snel weer terug moest naar de afdeling, had ik met alle liefde dat plasje water even schoon gedweild. Terwijl ik haar een fijne dag wenste en doorliep, hoorde ik haar uitglijden en in het plasje water plonzen. Grapje, dat verzin ik. Ze gleed niet uit.

#VoorHetEerstSteriel

‘Kom je mee een blinde darm verwijderen,’ vraagt de chirurg mij die net de OK binnen komt om mij eruit te vissen. Waarschijnlijk was het hem opgevallen hoe ik half slapend op een krukje in de hoek van de operatie kamer zat mee te loeren. Ondanks dat die operaties super spannend en interessant zijn, heeft de ruimte iets slaapverwekkend. In het donker zitten, op zo een wiebelig krukje, in een koude ruimte..Jup, je voelt de slaap al.

‘Tuurlijk,’ zeg ik vrolijk en spring uit mijn kruk om vervolgens huppelend achter hem aan te lopen. ‘Heb je eerder steriel gestaan?’ vraagt hij. ‘Nee,’ klink ik bijna verlegen. Hij zou eens moeten weten hoe je al, voor je überhaupt je hebt voorgesteld aan de operatieassistenten, op een krukje gezet wordt. Je moet dan wel heel veel lef hebben om te zeggen: ‘Wacht eens even, ik heb evenveel recht om aan tafel te staan als jij.’ Als coassistent, accepteer je die kruk gewoon. Tja, zo erg is het toch niet. Totdat je wakker wordt op een koude OK vloer met een dikke bult op je hoofd, omdat je in slaap bent gevallen. En iedereen maar denken dat je niet tegen bloed kan. Grapjassen.

‘Oh, heb je wel was-instructies gehad?’ vraagt de chirurg, terwijl wij de wasruimte binnen lopen en hij al naar een spons grijpt en zijn handen begint te wassen. ‘Ja, dat zeker. Ze leren ons wel wat op die doktersschool,’ grinnik ik. Hij vond het niet zo grappig. Als ik mijn handen netjes met de spons heb schoon geschrobd, en al het vuil onder mijn kortgeknipte nagels vandaan heb gehaald, stap ik half wrijvend nog in mijn handen, zodat al het alcohol goed die verrekte bacteriën dood kan maken, de OK kamer in.

Twee operatieassistenten en een anesthesiemedewerker kijken mij meteen scheef aan. ‘Houd je handen voor je!’ schreeuwt een operatieassistent naar mij. ‘Niet zo hoog,’ hoor ik de ander weer zeggen. ‘Niet wapperen met je handen,’ klinkt er weer uit de andere hoek. Als ik een jas aangereikt krijg van een operatieassistent, houdt hij hem stevig vast en zegt: ‘Weet je wel hoe je hem aan moet doen?’ Zuchtend antwoord ik dat het goed komt.

Eenmaal mijn jas aangetrokken en aan tafel, merk ik dat ze mij strak in de gaten houden. De chirurg heeft het ook door en moet erom lachen. ‘Houd je handen maar voor je, en laat ze rusten op de patiënt. Zo blijf je steriel,’ legt de chirurg liefelijk uit. Waarschijnlijk herinnerde hij zich zijn eerste keer door dat gestuntel van mij. Als hij mij een klem aanreikt, knipoogt hij naar mij en zegt: ‘Je doet het goed.’

‘Oké Do, en nu niet tegen de vlakte aan gaan…’ hoor ik mezelf denken.

#HellToTheNO

‘Ik heb een keer een coassistent vier weken lang genegeerd omdat hij zich niet netjes had voorgesteld,’ zei een verpleegkundige trots tegen mij. ‘Arme coassistent,’ mompelde ik zacht. ‘Helemaal niet, hij had gewoon een kapsones van hier tot Tokio.’ Ik haalde mijn schouders op. Misschien was hij gewoon moe, of dacht hij dat hij haar al een hand gegeven had. Of misschien zat zij in haar neus te peuteren en dacht die co: ‘Hell to the nahh.’ I don’t know maar wat ik wel weet, is dat het behoorlijk benauwend is voor een co-assistent om zich elke keer weer voor te stellen. Bovendien ook vermoeiend. Want het zijn er niet 1 of 2, maar gerust 20 tot 30 op een dag.

En ik heb mij laten vertellen dat ze in België elkaar niet eens de hand schudden, dus waar doen we moeilijk over? Veel hygiënischer trouwens. Handjes schudden van al die verschillende mensen op een dag is een feest voor al die bacteriën en virussen. Ik zie het al helemaal voor mij hoe die vunzige bacteriën elkaar de high five geven en luidkeels het nieuwe liedje van Beyoncé zingen: ‘Sorry, I ain’t sorry.’

Elke keer als ik voor de zoveelste keer op een nieuwe afdeling sta, heb ik de neiging om keihard door de ruimte te roepen: ‘Goedemorgen mensen van het goede leven, ik ben de nieuwe co hier de komende twee weken.’ Dan heb je gelijk iedereen gehad en hoef je die neuspeuterende collega’s ook geen hand te schudden…

#StatusCo

De overdacht is weer als een speer voorbij gegaan en alle specialisten en arts-assistenten staan tegelijkertijd op om aan het werk te gaan. De coassistenten druppelen achter hun arts-assistenten na en ook ik neem snel mijn voeten naar de coassistentenkamer om een telefoon/pieper mee te nemen en hol vervolgens snel naar de vierde verdieping om aan de visite te beginnen. Het dagelijkse rondje, samen met een verpleegkundige en de arts-assistent waarbij alle patiënten nagegaan worden die op de afdeling liggen.

Als ik de afdeling inloop zie ik de arts-assistent en de verpleging al samen, elk achter een eigen computer, op de gang staan. ‘Je bent te laat,’ grinnikt de arts-assistent. Ik kijk hem stomverbaasd aan en werp een blik op de klok: 08:02. ‘Ik zit je maar te fokken,’ zegt hij lachend. Ik forceer een glimlach.

‘En hoe gaat het met meneer X?’ begint de arts-assistent. Terwijl de verpleegkundige kort maar bondig opsomt dat de patiënt goed heeft gegeten en vanochtend nog is wezen plassen, zie ik de arts-assistent snel onder het kopje ‘Decursus’ notities maken van wat de verpleegkundige zegt. Gek. Vier jaar geneeskunde en het woord Decursus is mij nooit uitgelegd. Tijdens de coschappen kom je er allemaal vanzelf achter. Het betekent niets meer of minder dan ‘het beloop van een ziekte.’ Dat weet ik toevallig, omdat ik het net heb gegoogeld.

‘Status quo,’ zie ik hem bij de volgende patiënt typen, met andere woorden ‘er is nog niet zoveel veranderd.’ En ik vraag mij stiekem af of dat ook niet voor mij geldt. Ben ik een status co?

Tussendoor lopen we langs de patiënten om een hand te schudden en weer te vragen hoe het gaat. Even nog de wondjes bekijken en als ik geluk heb vraagt de arts-assistent mij of ik naar de buik, longen en hart wil luisteren van de patiënt. Ik brabbel vervolgens weer dezelfde woorden als die ik geleerd heb tijdens het ‘lichamelijk onderzoek’ onderwijs in het tweede jaar: ‘levendige peristaltiek.’ Ja, wat betekent dat nou eigenlijk?

Hoe langer ik coschappen loop, hoe meer ik mij afvraag wat ik nou werkelijk heb geleerd sinds ik begonnen ben. Ja, ik weet hoe ik in prachtige medische termen weet uit te leggen dat de darmen lekker bezig zijn, ik weet hoe ik een leuk gesprek kan voeren met een patiënt om de nodige informatie eruit te vissen en inmiddels ken ik een paar protocollen uit mijn hoofd. Als ik mijn feedback boekje moet geloven, doe ik het heel goed. Maar als ik heel eerlijk ben, en mezelf zou moeten omschrijven als dokter, zou ik zeggen…Status quo and still a long way to go.

#OK

‘Is dit je eerste keer op de OK?’ vroeg de operatieassistente mij. Haar helder groene ogen maakten een vriendelijke buiging, waardoor ik mij gelijk op mijn gemak voelde. Ik knikte. Ze nam mij bij mijn schouder voorzichtig beet en verplaatste mij naar de zijkant van de kamer. Terwijl ik mijn verstrooidheid probeerde te verbergen, probeerde ik gefocust te luisteren naar haar uitleg. Stap voor stap vertelde ze mij wat iedereen aan het doen was. De chirurg was nog bezig met het een en ander na te lezen en in te voeren op de computer, de operatieassistenten zetten alles klaar en dekten de patiënt steriel toe, terwijl de anesthesioloog samen met zijn anesthesiemedewerker nog de laatste metingen doorliep voor de narcose toegediend kon worden. ‘Ik ga even die dames verder helpen,’ zei de operatieassistente met de helder groene ogen en wees naar haar collega’s. ‘Ik geef je zo een kruk waar je op kan zitten.’

‘Heb je iedereen al een hand geschud,’ kwam de arts-assistente mij vragen. ‘Ja,’ antwoordde ik vlug. ‘Oké, ga dan maar gauw je handen wassen.’ Ik liet het mij niet een tweede keer zeggen en gauw liep ik naar de deur die mij naar het washok zou leiden. Maar in plaats van op het pendeltje onderin bij de deur te trappen, drukte ik per ongeluk de lichtknop uit. Typisch Do. Zo lomp als een stekker.

‘Oh, gaan we al beginnen met de operatie,’ grapte de chirurg. ‘Sorry,’ riep ik en deed het licht gauw weer aan. Het schaamrood liep mij tot mijn oren. ‘Wat gaan we doen?’ vroeg een van de operatieassistenten nors. Zij vond het niet zo grappig als de chirurg. ‘Mijn handen wassen,’ piepte ik. ‘Hoezo? Je mag toch helemaal niet aan tafel.’ Ik trok mijn schouders op en keek naar de arts-assistente die het snel voor mij opnam: ‘Ja, maar iedereen moet toch zijn handen gewassen hebben.’ ‘Had ze allang moeten doen. Ga maar op het krukje zitten.’ Nou, over op je plek gezet worden gesproken.

De arts-assistente zei mij dat het niet uitmaakte en dat het kan gebeuren. Terwijl ze nog mij het een en ander uitlegde over de operatie, viel ze halverwege opeens stil en staarde naar de anesthesioloog. Hij ging de verdoving inspuiten. ‘Wat spuit hij in?’ vroeg ik nieuwsgierig. ‘Sssttt,’ werd er naar mij geroepen. Later werd mij uitgelegd dat je niet mag praten, wanneer ze de patiënt in slaap willen brengen. OOOPS.

Nadat ik plaats had genomen op het krukje aan de zijkant, kwam de aardige operatieassistente naast mij staan. ‘’Nou, ik zou zeggen geniet er lekker van. Als je vragen hebt, mag je ze gerust stellen.’ Ik glimlachte en bedankte haar. Ze knipoogde en gaf mij nog een laatste tip om mij van nog meer lompheid te behoeden: ‘Blijf uit de buurt van alles wat met groen bedekt is.’