#IkKAPERMEE

‘Ik ben er helemaal klaar mee,’ app ik Sem. Sem leest mijn bericht en geeft mij de blauwe vinkjes. Ik staar een beetje naar het plafond en hou mijn telefoon in de gaten. Een half uur later appt ze terug met: ‘Ik ook.’ ‘Tazz, ga je niet vragen waar ik klaar mee ben?’ Ik hoef Sem vaak niet al te veel te zeggen. Het ging waarschijnlijk toch weer over school of het leven in het algemeen.

Ik ben wel altijd positief over dingen en vind mijn opleiding ontzettend leuk. Maar soms kom je dingen tegen, waar je gewoon niet vrolijk van wordt. En dan ga ik mezelf afvragen of het allemaal de moeite waard is. Al die opofferingen die je gemaakt hebt, al die jaren dat je gezwoegd hebt om die coschappen te bereiken en dan word je alsnog afgekat door je collega’s. Voor de buitenwereld ben je een held, maar in het ziekenhuis ben je de coassistent. En geloof het of niet, echt super weird, maar dat is geen goede positie. Je staat onderaan de ladder. Alsof mensen haast vergeten dat je voor dokter aan het studeren bent en daar even voor de lol bent om in de weg te staan. Bizar hoor!

Ach, het hoort er gewoon bij. ‘Morgen denk je er weer anders over en praat je over hoe geweldig je coschap was Do, dus kap met zeiken,’ appt Sem. Ik stuur haar een drol smiley, typ in hoofdletters dat ik ermee zal kappen en gooi mijn telefoon aan de kant. Ze heeft gelijk. ‘Je bent al zo ver gekomen. Nog even en je bent klaar,’ fluister ik mezelf moed in.

Ik zou wel gek zijn om nu ermee te kappen. Soms denk ik er even aan en lach dan vervolgens mezelf keihard uit, omdat ik geen flauw idee heb wat ik anders zou moeten doen met mijn leven.

Ergens vind ik het wel dapper als coassistenten, artsen of verpleegkundigen ermee kappen en iets anders gaan doen. Dan heb je echt lef. Bovendien lijkt het soms, sowieso in mijn cultuur, haast alsof je een moord hebt gepleegd als je met Geneeskunde stopt. Ik hoor het mensen al roepen. ‘Ben je gek!! Duizenden mensen zouden willen ruilen met je en jij stopt. EGOÏST.’ Over andere studies zijn ze vaak wat milder: ‘Ah boeiend, genoeg andere studies. Volg je hart, doe waar je gelukkig van wordt’ en zulk soort dingen hoor je ze dan zeggen.

Dus om de vraag van een paar lezers te beantwoorden of ik ooit eraan heb gedacht te stoppen met Geneeskunde en hoe ik mezelf blijf motiveren, is het volgende mijn antwoord: Ja. Dat heb ik zeker. Dat heeft elk geneeskundestudent wel eens een keer. Maar ik heb mezelf ooit een plan B aangepraat. Mijn plan B is plan A voltooien. En dat is dokter worden.

Ik raap mezelf op van mijn kamer vloer, neem een bonbon uit de doos die ik voor de rest van de familie in mijn kamer verstopt heb en haal diep adem. Tijd om te gaan studeren, Do.

#HotBrownie

‘Weetje wat gek is,’ zei ik tegen Sem en klemde mijn arm tussen de hare. We liepen samen door de stad te slenteren en waren opzoek naar iets warms om te eten. ‘Nou?’ vroeg Sem. ‘Toen ik klein was, dacht ik altijd dat ik op 25-jarige leeftijd getrouwd zou zijn en kinderen zou hebben, of in ieder geval afgestudeerd.’ Sem moest erom lachen. ‘Ja, en kijk jou nu. Nog steeds een loser,’ pestte ze mij.

Gek hoe het leven totaal anders gaat, dan je gepland hebt. Ik ben eigenlijk nooit iemand tegengekomen die precies zijn leven zo heeft geleefd als hoe die het gepland had. Eigenlijk slaat het helemaal nergens op. Wie heeft überhaupt die regels bedacht, dat je voor een bepaalde leeftijd getrouwd moet zijn of kinderen moet hebben. Of afgestudeerd moet zijn. Het lijkt wel, alsof mensen het leven zien als een soort leidraad en als iemand daarvan afwijkt gelijk voor raar of een loser wordt aangeschreven.

Als je het mij vraagt, zeuren we gewoon teveel. Sommige mensen hebben niet dat geluk om te kunnen zeggen: ‘Gek, ik had mijn leven op mijn 30ste heel anders gepland.’ Puur, omdat ze nooit de 30 jaar halen. Er bestaan ziektebeelden, waarbij je niet ouder wordt dan 35. Zoals bijvoorbeeld Cystic Fibrosis.

Ik heb al een paar van die patiënten mogen ontmoeten. Ook tijdens mijn kinder coschappen toen ik tijdens het visite-rondje bij een 16-jarig meisje aan haar bed stond, met prachtig dik lang haar. Van die weavy engelachtige lokken waar ik alleen maar van kon dromen vergeleken met mijn pluizige bol. Vooral die dag, leek mijn haar als een uitgekotste en in elkaar geslagen rioolrat.

Ze lag op haar bed haar haren te kammen als een doodnormaal tienermeisje. Leuk, jong en nog vol leven. Maar het idee dat ze al de helft van haar leven waarschijnlijk al geleefd had, gaf mij kippenvel. Ik had haar veel dingen willen vragen, over bijvoorbeeld hoe zij de toekomst voor zich zag en of ze weleens dacht aan trouwen en kinderen, ook al is de kans groot dat ze maar 35 jaar oud wordt. Maar ik durfde niet. Ik vond dat ik mij dan teveel met andermans zaken bemoeide en brutaal was.

Toen ik haar kamer verliet om weer naar de volgende patiënt te gaan, besefte ik mij dat voor haar hetzelfde geldt als voor iedereen. Namelijk dat morgen niet beloofd is. Sterker nog, dat de volgende seconde alleen al niet eens beloofd is. Het maakte het leven opeens nog veel korter.

‘Do,’ hoorde ik Sem zeggen. Ze drukte mijn arm tegen zich aan en vroeg waar ik was met mijn gedachten. Ik haalde mijn schouders op en wees naar de Burger King. ‘Laten we twister fries gaan eten. Anders lopen we over twee uur nog rond met een leeg maag.’ Sem knikte.

Toen we in de rij stonden, keek ik Sem aan en zei zweverig alsof ik een filosofische ondekking had gedaan: ‘Laten we ook een hot brownie nemen en die als eerst eten en daarna pas die twister fries.’ Ik had verwacht dat Sem mij een klap zou verkopen en zou zeggen dat ik niet zo raar moest doen. Maar gek genoeg vond ze het een goed idee. ‘Wie heeft sowieso verzonnen dat het toetje pas na de maaltijd gegeten moet worden?’ vroeg ik haar. Ik vind het gewoon niet logisch.

Kortom, wat ik wil zeggen is. Leef je leven, zoals jij dat wilt. Met niet al teveel voorgekauwde en geplande dingen. Want het leven is te kort. Veel korter, dan ze je ooit vertellen.

#ChainSmokers

Een dun klein tenger oud vrouwtje zat voorovergebogen, haar knieën over de rand van het onderzoeksbankje en hapte continue naar adem. Ik begon mijn vragen aan haar dochter te stellen, omdat ik merkte dat ik de patiënte er moe mee maakte. ‘Hulpademhalingsspieren +,’ krabbelde ik snel in mijn notitieblokje. Een teken dat je erg benauwd bent.

‘Ik ga heel even naar uw longen luisteren, mevrouw. Niet schrikken, ik ga achter u staan,’ zei ik tegen de patiënte. Ze knikte en ik plaatste mijn koude stethoscoop op haar rug en ging alle longvelden af. Zoals gewoonlijk, vertellen we de patiënt niet wat we horen voor we overlegd hebben met ons collega’s en een röntgenfoto maken.

Nadat de röntgenfoto bekend was, en er inderdaad vocht achter de longen werd gezien, blijkbaar als gevolg van de longtumor waarmee ze al bekend was, schakelden we de longarts in om een pleurapunctie te komen doen om het vocht eruit te zuigen.

Als ik terugga om het de patiënte te vertellen, vang ik iets op van de discussie die ze had met haar dochter. ‘Je moet echt stoppen met roken ma, zoals dat meisje net zei. Kijk wat het met je doet.’ Haar dochter leek bezorgd en haar moeder keek er verslagen bij. ‘Ach kind,’ haperde ze. ‘Ik word niet beter als ik stop met roken. Die tumor gaat niet weg.’ Daar had ze gelijk in. Ik ging naast de patiënte op de onderzoeksbank zitten en hield haar hand vast. Ze kneep erin en glimlachte lief naar mij. ‘Ik zei het net niet om u te pesten,’ begon ik. ‘Maar omdat u naast de longtumor dat andere longziekte heeft, COPD. Roken irriteert u longen en activeert die ziekte opnieuw,’ legde ik uit. ‘Ik weet het,’ zuchtte ze. Ik vertelde haar dat de longarts zo komt en dat we het vocht uit de longen gaan zuigen, zodat de benauwdheid verminderd. ‘Dus die benauwdheid komt nu niet door het roken,’ vroeg ze half buiten adem. Ik glimlachte en wilde geen antwoord geven op haar vraag dus ik zei dat ik zo terug zou komen als de longarts er ook was.

Van de longarts mocht ik assisteren. Hij prikte de punctie en ik mocht de naalden met het vocht uit de longen leegspuiten in een emmer. ‘Bij 1 liter vocht stoppen we,’ zei de longarts. Ik probeerde mijn enthousiasme te verbergen en niet overdreven te reageren dat we zojuist 1 liter vocht van achter haar longen hadden verwijderd. Ik vond het niet netjes tegenover de patiënte, maar wilde het van binnen uitschreeuwen omdat ik het zo bizar vond. Geen wonder dat ze zo benauwd was.

‘Zo, wat een verademing,’ zei de patiënte nadat we klaar waren. Ze was stukken minder benauwd. ‘Nu kan ik weer lekker een peukie roken,’ grapte ze. Helaas wel een grapje die ze meende.

#GroteSchoenen

‘Ik ben op zoek naar Jayden,’ riep ik door de gang van de kinderpoli. Ik zag een klein tenger mannetje van vijf jaar oud die druk met legoblokjes aan het spelen was opkijken. Vervolgens wierp hij een blik op zijn moeder en ging ongestoord verder spelen alsof er net niet geroepen was. Ik glimlachte naar zijn moeder en gaf haar een hand. ‘U kunt met me meelopen,’ zei ik en wees haar de weg. ‘Kom, Jayden,’ riep ze naar haar zoon. Jayden bleef doorspelen. ‘Jayden, nu komen,’ riep ze weer. Dit keer klonk haar stem streng en luider. Jayden trok zich er niets van aan. ‘Jayden, ik heb in die andere kamer ook speelgoed. Je kunt daar verder spelen,’ zei ik. Jayden sprong eindelijk op en holde achter ons aan naar de spreekkamer.

In de spreekkamer probeerde ik met Jaydens moeder een gesprek te voeren over wat er precies met hem aan de hand was. Hij scheen meerdere malen achter elkaar neus- en keelverkouden te zijn. Jayden speelde zo rumoerig met de auto’s en legoblokjes, dat zijn moeder en ik op een gegeven moment schreeuwend het gesprek moesten voeren.

Toen ik klaar was met mijn vragen te stellen en genoeg informatie van de moeder had verzameld om een differentiaal diagnose op te stellen vroeg ik Jayden of hij op het onderzoeksbankje kon komen liggen. ‘Ik wil je gaan onderzoeken,’ legde ik uit. Zijn moeder hielp hem met zijn broek en shirt uit te trekken en Jayden sprong vervolgens vrolijk op de onderzoeksbank. ‘Ik ga even naar je hart en longen luisteren, doet geen pijn,’ legde ik hem voorzichtig uit. Terwijl ik mijn stethoscoop op zijn borst plaatste, begon Jayden keihard te giechelen. ‘Dat kietelt hoor!’ Ik glimlachte naar hem. ‘En nu even naar je buik luisteren,’ en ik legde mijn stethoscoop op zijn buik. ‘Oh, ik hoor je boterhammen van vanmorgen,’ grapte ik. Hij keek mij met een opgetrokken wenkbrauw aan en zei: ‘Ik heb roti gegeten, geen boterhammen. En cola!’ Zijn moeder begon verlegen te lachen. ‘Ja, normaal krijgt hij wel boterhammen als ontbijt hoor. Maar vandaag was een chaotische dag.’

Ik knipoogde naar Jayden en zei: ‘jij hebt geluk hoor, ik heb droge boterhammen met pindakaas gegeten vanmorgen.’ ‘Bah! Pindakaas,’ riep Jayden.

Na overleg met mijn supervisor, stuurde ik Jayden en zijn moeder weg om bloed te prikken. De uitslag zouden we dan telefonisch bespreken. Na het bloedprikken kwam ik Jayden op de gang tegen. Hij was aan het spelen op de glijbaan. Toen hij mij zag, riep hij hard: ‘dokter, ik ben geprikt!’ Ik liep naar hem toe en hij liet mij zijn pleister zien. ‘Stoer! Je hebt niet gehuild toch?’ Hij schudde zijn hoofd en zei: ‘Nope, grote mannen huilen niet.’ ‘Oh, maar grote mannen spelen toch ook niet op glijbanen. Ben je daar niet te groot voor Jayden?’ Hij keek mij fronsend aan en zei: ‘Nee, jij bent daar te groot voor met je grote ko…’ Zijn moeder en ik keken elkaar met grote ogen aan. Hij slikte gelukkig dat woord net op tijd in en zei: ‘…schoenen.’ ‘Volgens mij wilde hij wat anders zeggen,’ lachte ik naar zijn moeder. Zijn moeder glimlachte verlegen en knikte.

#Mamma

Met mijn Gray’s Anatomy boek opengeklapt en het Sabotta anatomie boek ernaast, zat ik gefocust de vrouwelijke anatomie van de mamma, met andere woorden ‘borst’, na te tekenen in mijn notitie boekje. Ik wilde de dag erna een operatie meekijken waarbij ze een mamma-amputatie zouden uitvoeren bij een vrouw met borstkanker. De vorige keer dat ik had meegekeken, stond ik voor paal omdat ik de anatomie niet goed uit mijn hoofd kende. Dat wilde ik dit keer voorkomen.

‘Zou het woord ‘mama’ afgeleid zijn van het Latijnse woord ‘mamma’ voor borst?’ vroeg ik aan de coassistente die naast mij stevig zat door te tikken op de computer. Ze had geloof ik een presentatie en zag er flink gestrest uit. ‘Weet ik veel. Nooit bij stilgestaan,’ zei ze kortaf. ‘Hmm.’ Ik haalde mijn schouders op en tekende verder. Het leek wel logisch. Omdat moeders kinderen borstvoeding geven, zeg maar. Ik heb het geprobeerd te googelen, maar kon er niets over vinden.

De volgende dag was ik best zenuwachtig voor de operatie. Niet zo zeer om de vragen die de chirurg mij hoogstwaarschijnlijk zou gaan stellen, maar vooral het feit dat er een borst geamputeerd werd. Ik kon mij er niets bij voorstellen. Voor de patiënte door de anesthesiemedewerkers werd opgehaald en in slaap gebracht, heb ik even met haar gebabbeld. Ze was nog best een jonge vrouw. Net in de 40, geloof ik. Ze vertelde mij over haar dochtertje, dat ze bijna naar de middelbare ging en hoe trots ze op haar was. Over haar ziekte vertelde ze niets. En ik durfde er zelf ook niet over te vragen. Soms spreken ziekenhuisbedden eigenlijk al voor zich.

Tijdens de operatie mocht ik niet aan tafel. ‘Je kan beter achter mij gaan staan, dan zie je het beter,’ zei de chirurg. Dus ik ging achter hem staan en keek toe hoe hij haar borst, zonder enige moeite, verwijderde. Ik vond het maar gek. Een tumor in haar borst, wat haar leven binnen no time had kunnen beëindigen. En nou een operatie en een flinke hechting op de plek waar een uur geleden haar borst nog was, redde haar leven. Nou kon ze haar kind hoogstwaarschijnlijk zien afstuderen en oma worden. Tja, ergens zijn die chirurgen best wel helden.

Later op de afdeling, voelde ze zich moe maar erg opgelucht. Nu de tumor uit haar lijf was, durfde ik ook meer aan haar te vragen. ‘Waarom heeft u eigenlijk gekozen voor een borstamputatie en niet een borstsparende behandeling?’ vroeg ik haar. Ze had namelijk een kleine tumor, die de chirurgen prima borstsparend hadden kunnen verwijderen. Dat wil zeggen, dat ze alleen de tumor verwijderen en het weefsel erom heen. De borst laten ze verder met rust. ‘Omdat ik mama ben,’ antwoordde ze en knipoogde stoer naar mij. Ze wilde al die therapie die erna zou volgen en de angst dat de tumor niet helemaal verwijderd zou zijn voorkomen.

‘Weet je wat gek is,’ zei ze twijfelend. Ik luisterde aandachtig. ‘Vroeger was ik nooit tevreden over mijn borsten. Ik heb zelfs plastisch chirurgie overwogen. Maar voor nu, ben ik blij dat het weg is.’ Ik glimlachte voorzichtig. Ik was blij voor haar dat ze er zo positief in stond, maar ik weet dat voor heel veel vrouwen zo een operatie erg ingrijpend en beschadigend is. ‘Het is maar een vet bobbel toch. Wat zegt dat nou over mijn vrouwelijkheid,’ grapte ze. Geen idee. Misschien zegt het inderdaad wel helemaal niets en probeert de media ons gekke dingen wijs te maken.

Ik denk nu dat het woord ‘mamma’ wat borst betekent in het Latijns, afgeleid is van het woord mama. Wat in bijna elk taal staat voor ‘moeder.’ En dat was deze patiënte zeker. Met of zonder mamma’s. Dat kon deze verschrikkelijke horror ziekte niet van haar afpakken.

#BlauweVinkenDepressie

‘Zij gaat zeker weten nooit trouwen,’ hoorde ik een meisje tegen haar vriendin zeggen. Ze zaten tegenover mij in de trein en scrolden door hun telefoons. ‘Daar is ze veel te lelijk voor.’ ‘Zo, echt wel. Moet je die neus zien. Als ik haar was had ik allang plastisch chirurgie gedaan,’ zei het andere meisje. ‘Dat heeft ze al gedaan hoor. Kijk die lippen dan, sowieso botox,’ zei het andere meisje weer. Ik zat vol verbazing te luisteren. Niet alleen om hun domheid, want botox spuit je niet in lippen, maar meer om de dingen die ze zeiden. Ze zagen er beide netjes uit, hun make-up mooi gedaan, haren netjes gestijld en kleren perfect gematcht. Toch vond ik ze lelijk door de woorden die uit hun mond kwamen.

Ik besloot niet meer naar ze te luisteren en naar buiten te staren. In het raam zag ik mijn eigen reflectie. De inmiddels beruchte drol-look-a-like knotje van mij, mijn overdreven dikke trui (maar goed, ik ben nou eenmaal een koudkleun), mijn wenkbrauwen on hide and seek ipv on fleek, mijn gescheurde broek. Als Sem mij nu zou zien, zou ze afkeurend met haar hoofd schudden en peinzend vragen of ik een zwerver ben en een euro in mijn hand drukken.

Uiterlijk is belangrijk. Dat weet ik. Maar tegenwoordig hechten mensen er meer waarde aan, dan het waard is. Ze werken meer aan hun wenkbrauwen dan aan hun karakter. En dat doet mij eerlijk gezegd pijn om te zien. Of misschien ben ik gewoon stiekem jaloers omdat mijn wenkbrauwen de weg kwijt zijn en die dikke trui mij 5 kilo zwaarder doet lijken.

Wat ik wil zeggen is, dat al die onzin helemaal niet nodig is. Iedereen is perfect zoals die is. En niemand, maar dan ook niemand is TE LELIJK om te trouwen.

Wij vrouwen, worden al onzeker genoeg gemaakt door mannen die op Brad Pit lijken, honderden mooie vrouwen in hun lijst hebben en maar ons de blauwe vinkjes blijven geven. Ik noem het de blauwe vinkjes depressie. Om maar verder niets te zeggen over alle social media en het LIKE-gebeuren. Niet ontkennen dames, die nieuwe selfie die je vandaag maakte en waar je zo trots op was, maar 10 likes voor kreeg, heeft je mascara niet veel goed gedaan.

Ik hou er niet van om in gebiedende wijs te praten, maar vandaag doe ik het toch. Wees lief voor elkaar!! Het is nergens voor nodig om elkaar af te katten en onzekerheid aan te praten. En het is veel leuker om een compliment te geven en te ontvangen, dan iemand te beledigen. Dus geef dat meisje, die je ‘te lelijk vind om te trouwen’ die like op haar nieuwe selfie vandaag, want jij zou het ook waarderen.

Laat je schoonheid ook stralen in de woorden en het gedrag dat je gebruikt en uit. Je bent mooi zoals je bent. Al die poespas is nergens voor nodig. Go Shine <3.

#AllochtonenEnHonden

‘Aahhh,’ hoorde ik iemand in een van de kamers op de gang schreeuwen. Ik ging snel kijken wat er aan de hand was. Toevallig wilde ik toch net een nieuw patiënt gaan zien. Ik schoof het gordijntje aan de kant, liep de kamer binnen en schoof vervolgens het gordijntje weer achter mij dicht. Een jongeman, van Marokkaanse afkomst, lag languit op de onderzoeksbank met een open knie. Hij keek mij boos aan.

‘Alles goed?’ vroeg ik hem en schudde zijn hand. Ik wist al dat het een domme vraag was en dat hij fel zou reageren met: ‘Nee, ik heb pijn.’ ‘Ik zal zo aan de verpleegkundige doorgeven dat je iets tegen de pijn mag krijgen,’ probeerde ik hem gerust te stellen. Hij knikte. ‘Wat is er gebeurd?’ vroeg ik hem, terwijl ik aandachtig naar zijn knie keek, zonder het aan te raken omdat hij paniekerig overeind schoot toen ik dicht bij zijn knie kwam.

‘Zo een hond,’ begon hij zijn verhaal. ‘Liep opeens achter mij aan. En ik ben doodsbang voor honden, dus ik ben voor vaderland weggerend maar die hond ging toen nog sneller achter mij aan rennen.’ Ik probeerde mijn lach in te houden. Het was helemaal niet grappig, maar het deed mij denken aan mijn eigen broertjes en neefjes. Allochtonen, zijn als de dood voor honden.

‘En toen?’ ‘En toen viel ik, en die hond viel ook over mij heen.’ Ik knikte aandachtig. ‘Heeft die hond je ook gebeten?’ ‘Nee volgens mij niet. Het ging allemaal zo snel, maar denk niet dat ik gebeten ben.’ ‘Ik ga even handschoenen aantrekken om goed naar je knie te kijken en het te ontsmetten,’ zei ik voorzichtig. ‘Gaat dat pijn doen?’ vroeg hij met trillende stem. ‘Een beetje, sorry.’

Ik zette het bakje met ontsmettingsmiddel en een paar gaasjes naast hem op de onderzoeksbank en nam plaats op een krukje, terwijl ik mijn handschoenen aantrok. Hij begon hard te schreeuwen toen ik zijn knie begon schoon te spoelen. ‘Sorry,’ meende ik. Ik kon door de wond zijn knieschijf zien, maar vertelde hem dat niet. Ik wist haast wel zeker dat hij van zijn stokje zou gaan als ik dat had verteld. ‘Ik moet dit helaas gaan hechten. Twee hechtingen denk ik.’ ‘Shit, dat meen je niet,’ zuchtte hij. ‘Maar ik ga de randen rondom de wond verdoven, dus je zult er niks van voelen.’ Hij wendde zijn blik naar het plafond en zuchtte weer diep. ‘Die verdomde hond ook…’ zei hij. Voor ik met de verdovingsspuit zijn huid aanraakte, begon hij al keihard te schreeuwen. ‘Arme jongen,’ dacht ik in mezelf.

#HORRORINDEOK

 

Zonder twijfel kerfde de chirurg een snee midden op de borst van de patiënt, wat knalroze was aangekleurd door het ontsmettingsmiddel. ‘Alsjeblieft,’ zei de operatie-assistente die naast mij stond en een klemmetje in mijn hand drukte om de snee beter open te kunnen houden. Zo kon de chirurg de snee goed open branden. De geur van het verbrand vlees, vet en bloed deed mij denken aan het weekendbarbecue. Ik probeerde die gedachte snel van mij af te schudden. ‘Djeez Do, wel even menselijk blijven,’ fluisterde ik mezelf in.

Nadat de chirurg bij het borstbeen kwam, toverde hij een zaag tevoorschijn en zei: ‘Oke, en nu aan de kant want dit is gevaarlijk. Ik ben serieus Doa.’ Ik drukte mijn handen angstig tegen mijn bovenbuik aan en keek met grote ogen toe hoe hij de borst van de patiënt open zaagde. ‘Woow, u heeft hem letterlijk open gezaagd,’ riep ik verbijsterd. ‘Kom eens dichterbij. Kijk, dit zijn de longen, en zie je het hart kloppen?’ fluisterde hij. Ik keek opzij naar de operatie-assistente die aan het grimassen was en piepte zacht: ‘Ja, hoe kan ik dat nou missen.’ ‘Voel maar aan de longen,’ zei de chirurg. En terwijl ik gefascineerd naar de longen, die rustig in en uit aan het ademen waren en het kloppende hart zat te staren, kwam de chirurg met een paar grote klemmen, koppelde het vast aan twee palen die naast het bed stonden en schroefde letterlijk de borst van de patiënt nog meer open.

‘Zo. Nou kan ik er goed bij,’ grinnikte de chirurg. ‘Let op Doa, we gaan nu de patiënt koppelen aan de hart-longmachine.’ Ik slikte en keek toe hoe de chirurg grote buizen in het hart van de patiënt plaatste. ‘Deze buizen, nemen nu de functie over van de grote slagaderen van het hart,’ legde hij mij uit. Ik knikte en deed alsof het allemaal super logisch was, maar diep van binnen was ik de stem die continue ‘what the hell’ aan het roepen was, aan het dimmen.

‘Pak eens dat kleine schaaltje op,’ vroeg hij. Ik deed wat hij vroeg en hield het schaaltje vast. Hij haalde een van de buizen weer uit het hart, legde het neer in het schaaltje en schakelde even de machine aan. Een fractie van een milliseconde en het schaaltje had zich bijna helemaal gevuld met bloed.

‘Zie je hoe snel het schaaltje zich vulde. Daarom moeten wij snel te werk gaan zo en geen fouten maken. De patiënt bloed anders dood,’ legde de chirurg uit en koppelde de buis terug het hart in. Het woord ‘dood’ bleef in mijn hoofd door galmen, terwijl ik verbijsterd en waarschijnlijk lijkbleek luisterde naar de chirurg die mij uitlegde hoe de hart-longmachine nou precies werkte. Ik voelde mijn lichaam even koud worden als die van de patiënt. ‘Ik ga nu het hart van de patiënt stilleggen. Jij moet zijn hart vasthouden en goed omhoog houden voor mij. Maar wees wel voorzichtig.’ Ik deed wat hij vroeg. Ik hield het hart vast, als het meest breekbare ding op de wereld. Ik heb nog nooit iets zo voorzichtig vastgehouden en durfde zelfs niet te diep in te ademen. Na de operatie vroeg de chirurg wat ik ervan vond. Ik was zo sprakeloos, dat ik met moeite ‘vet gaaf’ kon zeggen.

We hadden de patiënt eerst dood gemaakt. En toen opnieuw leven gegeven. En ook ik leek opeens opnieuw te leven. Misschien kwam het door de adrenaline, of de koffie die ik voor de operatie achterover had geslagen. Maar het idee, dat ik iemands hart in mijn handen had vastgehouden en heb weten te beschermen gaf mij even het gevoel heel de wereld aan te kunnen.

‘Oke, ik heb honger. Ik ga eten. Sluit jij de wond?’ vroeg de chirurg, terwijl hij de hechtspullen in mijn handen drukte en wegliep. De operatie-assistente ging tegenover mij staan en zei liefelijk: ‘Ik help je wel even…’

#NEE

‘Dag jongeman,’ ik stak mijn hand uit naar een drie-jarig jongetje met een bos warrige blonde krullen en groen grijze ogen die mij vol verbazing aankeken en ging op mijn knieën tegenover hem zitten. ‘Bij kinderen is het belangrijk dat je op dezelfde ooghoogte zit anders vinden ze je gauw eng,’ herinnerde ik een van mijn docenten zeggen. Hij zat op de grond in de kinderkamer op de SEH en had in zijn ene hand een gele vrachtwagen en in zijn andere hand een vierkanten blok. ‘Krijg ik geen handje?’ vroeg ik. Hij staarde mij even aan, gleed met zijn blik naar mijn witte jas, vervolgens weer naar mijn gezicht, glimlachte en schudde met zijn hoofd. ‘Nee!?’ zei ik verbaasd. Hij lachte, gooide het gele vrachtwagentje aan de kant en gaf mij aarzelend zijn hand.

‘Ik hoorde dat je pijn hebt aan je voet. Zou ik even mogen kijken naar je voetje?’ ‘Nee,’ brulde hij en kroop richting zijn moeder die een paar meter naast ons tegen de muur aanstond. Sh*t, ik had het niet moeten vragen, dacht ik. Aan peuters nooit vragen, maar gewoon zeggen en doen. Dat is waar ze ons mee plat gooien tijdens de lessen voor je aan een nieuwe co-schap begint. ‘Hij zit in zijn Nee-fase,’ grinnikte zijn moeder verlegen. ‘Ja, ik merk het.’

‘Ik ga toch even naar je voet kijken. Sorry maatje,’ zei ik en greep zonder pardon naar zijn voet. Hij vervoerde zich, naar mijn verbazing, niet en keek mij scheef aan alsof ik een of ander randdebiel was. ‘Mama, wanneer kunnen wij weer naar huis?’ vroeg hij aan zijn moeder. ‘Ik ga nog even mijn collega roepen, die wilde ook met mij meekijken naar je voetje. En daarna mag je als het goed is naar huis,’ zei ik met een hoge piepstem. Ik kan er niets aan doen. Bij kinderen, gaat mijn stem opeens op Po van de teletubbies lijken.

Een paar minuten later kwam ik met mijn collega weer de kamer in. Het jongetje was nu heen en weer aan het lopen, en zo te zien was er niks met zijn voet aan de hand. Het kleine blonde jongetje liep naar mijn collega toe, gaf haar een hand, keek mij vervolgens aan en zei: ‘Jou heb ik al gezien. Jij krijgt geen hand meer.’

Bijdehandje…

#XTC

Terwijl ik in de artsenkamer, uit verveling, naar enge ziekten aan het googlen was, hoorde ik op de gang de artsassistent aandenderen met nog een paar onbekende voetstappen. Vrolijk riep hij de kamer in: “Dokter doooooo.” Ik forceerde een glimlach en groette terug. De onbekende voetstappen bleken van de nieuwe oudste-coassistent te zijn. “Hoi, jou heb ik nog geen hand gegeven,” groette ik hem vriendelijk en schudde zijn hand. De artsassistent plofte vervolgens neer op de stoel naast mij en zei: “we krijgen zo een nieuwe opname vanuit de SEH. Ik denk dat het wel een leuke patient is voor jou om op te nemen.” “Hoezo voor mij?” vroeg ik.

“Nou, het is een jonge knaap. Jij was toch nog vrijgezel,” lachte hij sullig. Ik keek verveeld naar hem en besloot er niet om te lachen. “Nee even serieus, waarom een leuk patient voor mij. Heeft hij Lupus?” De oudste coassistent grinnikte: “It’s never Lupus.” Een quote van dr.House omdat die ziekte bijna nooit voorkomt.

“Nee, hij heeft geen Lupus. Maar waarschijnlijk Rhabdomyolyse. Jij mag uitzoeken hoe hij eraan komt.” “Aha,” knikte ik, stond op en sjokte weg om aan een van de verpleging te vragen mij op te piepen als de patient op de kamer lag. Bij rhabdomyolyse gaan spiervezels in grote hoeveelheden kapot. In het bloed kunnen we dat zien aan een bepaald stofje wat extreem verhoogd is.

Toen de patient er eenmaal was, inderdaad een jonge knaap die behoorlijk afgetraind was en de zusters al grinnekend zijn kamer uitliepen, hoorde ik ze nog fluisteren: “Leuke knul joh.” Ik liep zijn kamer binnen en begon al met mijn waterval aan vragen. Hij vertelde dat hij gisteren op een feestje was, een paar pilsjes had gedronken met zijn maten en vanochtend opeens niks meer kon bewegen van de pijn. Heel zijn lichaam deed zeer, alsof hij flink had staan sporten. Daarnaast was hij ervan overtuigd geen drugs of andere gekke pilletjes te hebben gebruikt op het feestje. Zijn bloed zei echter andere dingen in het lab.

Eigenlijk wist ik al bijna zeker dat hij op dat leuke feestje gisteravond een pilletje had gebruikt. Zijn moeder zat bezorgd naast hem aan zijn bed en keek mij vol verwachting aan, nadat ik het gesprek afsloot en zei: “Ik kom later op de dag nog terug met mijn collega om het plan met jullie te bespreken.” “Ik moet straks mijn jongste zoon ophalen van school, hoelaat komen jullie terug met het plan?” vroeg ze. “Aan het eind van de middag.”

Een uur later ging ik terug naar de jonge knaap, in de hoop dat zijn moeder al weg was. En dat was ze. Hij zat gezellig te kletsen met de verpleegkundige. Ik vroeg haar of ze even de kamer wilde verlaten, omdat ik nog het een en ander met de patient wilde bespreken. “Tuurlijk,” zei ze vriendelijk. “Hey, we hebben eens goed na zitten denken. Mijn collega’s en ik en jouw bloeduitslagen kunnen passen bij een spierziekte. Maar omdat het zo plotseling begonnen is, denken we meer aan XTC.” Zijn gezicht trok even bleek weg. “Ik begrijp dat je in het bijzijn van je moeder niet durft toe te geven dat je een pilletje hebt gebruikt. Maar, als je wilt dat wij jou helpen, hebben wij wel de juiste informatie van jou nodig.” Hij keek bedenkend naar de grond en zei toen fluisterend: “Klopt, ik heb XTC gebruikt.” Ik gaf hem een klop op zijn schouder en zei vriendelijk: “Had dat dan meteen gezegd. Had ons een hoop tijd gekost.” Hij lachte verlegen.