#StinkSokken

‘Vertel eens wat over je vrienden,’ vroeg ik. Ze zat tegenover mij, met haar armen over elkaar heen en zat met haar rechterhand zenuwachtig aan haar linker bovenarm te plukken aan een oud korstje. ‘Ik heb niet echt vrienden,’ antwoordde ze zacht. ‘Ook geen mensen in je klas waar je graag huiswerk mee maakt?’ Ze schudde haar hoofd. ‘Nee, mijn klasgenoten zijn allemaal kinderachtig. Ze vinden school niet zo belangrijk als ik dat vind. Ze begrijpen mij niet.’ Ik humde. ‘Merk je vaker dat mensen je niet begrijpen of heb je dat alleen met je klasgenoten?’

Ze keek mij bedenkend aan. ‘Eigenlijk vaker inderdaad. Alleen met mijn moeder kan ik het goed vinden. Niet met leeftijdsgenoten in ieder geval.’ Ik knikte begripvol. ‘Vind je het vervelend dat je geen vrienden hebt?’ Ze haalde haar schouders op. Ik liet een stilte vallen en bleef op haar antwoord wachten. Ze keek naar de grond, daarna naar het plafond, toen weer naar mij. Waarschijnlijk vond ze de stilte te ongemakkelijk en besloot toch te antwoorden: ‘Ik heb geen vrienden nodig.’

‘Zou je ze wel willen, ondanks dat je ze niet nodig hebt?’ Ze schudde weer haar hoofd. ‘Ik denk het niet. Het is toch alleen maar drama. Vooral met de tieners tegenwoordig. Iedereen roddelt over elkaar, pakken elkaars vriendjes af, zijn teveel bezig met hun looks.’ Ik moest erom lachen en kon haar geen ongelijk geven. Als je de verkeerde ‘vrienden’ tegenkomt, lijken het net schoenen die te strak om je voeten heen zitten. Een beklemmend gevoel, maar je doet ze niet uit want op de een of andere manier ben je trots op die nieuwe schoenen. Totdat je niet meer kunt lopen van de pijn, ze uiteindelijk uit doet en je beseft hoe heerlijk het leven was zonder ze.

‘Hoor ik het dan goed dat je uiterlijk niet belangrijk vind?’ vroeg ik. ‘Jawel. Gewoon dat je er schoon uitziet. Maar die kilo’s make-up hoeft van mij niet hoor.’ Ze zwaaide haar haren naar achteren en deed weer haar armen over elkaar. ‘Wanneer kocht u voor het eerst make-up?’ vroeg ze mij. Die vraag zag ik niet aankomen. Ik grinnikte. Ik herinnerde het mij nog heel goed, dat ik samen met mijn moeder in de Douglas stond en al mijn moed verzamelde, naar een fles foundation wees en piepend zei: ‘Mama, ik wil dit een keer proberen.’

‘Ik was een jaar of 19, misschien 20.’ antwoordde ik. ‘Ziet u! Tegenwoordig dragen ze al make-up vanaf 10 jaar!’ zei ze gefrustreerd. Ze klonk wel erg wijs voor een 14-jarig meisje. En ergens begreep ik haar ook wel. Het is nogal frustrerend als mensen je niet snappen of als mensen heel anders zijn dan jij.

Kijk maar naar Trump, die gooit gewoon zijn grenzen dicht voor mensen die anders zijn. We kunnen muren om onszelf heen bouwen, nog meer van elkaar gaan verschillen, nog meer elkaar niet begrijpen en grotere afstanden creëren. Terwijl wij eigenlijk beter onszelf kunnen afvragen of onze vrienden ons wel nodig hebben, in plaats van wij hun. Of wij niet zelf een beklemmende schoen zijn.

Je hoort het steeds vaker. Ik ben er zelf ook schuldig aan. Dat we mensen ‘verwijderen’ uit ons leven, omdat ze niet goed zijn voor ons. Zonder af te vragen of we zelf wel goed waren voor die personen. Uiteindelijk alleen en eenzaam over blijven. En dat is niet erg, eenzaamheid is niet zo eng en lelijk als dat het lijkt. Maar je komt jezelf wel tegen. Dus voor je grenzen dicht gaat gooien, voor je hele hoge ijzeren muren gaat bouwen, vraag jezelf eerst af of je er klaar voor bent om jezelf tegen te komen. Het kan er namelijk erg lelijk aan toe gaan, als je die schoenen uittrekt. En vervolgens onder je stink sokken al je lelijke blaren ontdekt.

En ook de wereld komt gauw genoeg zichzelf tegen. De vraag is alleen, of we elkaar echt kwijt zullen raken.

#InYourFace

‘Hoi daar,’ ik stak mijn hand uit naar het vier jarige meisje die mij met grote glazige ogen aankeek. Ze leek niet geïnteresseerd te zijn in mijn hand, maar meer in wat uit mijn jaszak bungelde. ‘Ik ben Doa, en ik kom naar je hartje luisteren.’ Ze vormde met haar mond een rondje en keek mij verbaasd aan. ‘Hart,’ zei ze en plaatste haar hand op haar borst, net boven haar hart. Ik lachte. Ze gaf mij de grootste smile die ze kon maken en wees naar mijn stethoscoop. ‘Goed zo, ik ga inderdaad met dit dingetje naar je hart luisteren.’ Ze knikte en zei: ‘Ik weet hoe.’ Ze greep mijn stethoscoop uit mijn jaszak, deed het omgekeerd in haar oortjes en plaatste de stethoscoop op haar borst. ‘Ze heeft thuis goed geoefend,’ legde haar moeder uit die net de kamer binnen kwam lopen. ‘We hebben haar even voorbereid zodat ze niet zou schrikken van al die witte jassen.’ ‘Wat goed!’ zei ik gemeend.

Ik richtte mij weer op mijn jonge patiënte. ‘Heel goed Marie, mag ik nu ook luisteren?’ Ik nam mijn stethoscoop weer van haar over en begon te luisteren. Ze had een ruisje over haar hart. Iets wat vaker voorkomt bij het syndroom dat ze heeft. Ze had namelijk het syndroom van Down. Ook wel bekend in de volksmond als ‘mongooltje.’ ‘Aapje moet ook,’ zei ze wijzend naar haar knuffelaapje. ‘Oh, is aapje ziek?’ ‘Nee, maar aapje ook!’ Ik deed maar wat ze wilde en luisterde naar het hartje van haar aap. ‘Klinkt goed,’ speelde ik mee. Ze fronste, tilde haar aapje op en gooide het rechtstreeks in mijn gezicht. Ik wist even niet wat mij overkwam. Maar nadat ik zag hoe grappig ze het vond, hoe ze haar kleine handjes voor haar mond deed en giechelend ‘ooooohh’ riep, smolt mijn hart. Haar moeder werd ook rood van het lachen.

‘Straks breekt aapje nog een poot als je hem zo hard gooit.’ Ik raapte haar knuffelbeest van de grond en legde het weer naast haar in bed. Ze greep er weer naar en smeet hem opnieuw keihard in mijn gezicht. Nu moest ze er nog harder om lachen. ‘Heel grappig!’ mompelde ik sarcastisch. Ik raapte het aapje weer op en gooide hem nu zachtjes in haar gezicht. Ze moest zo hard lachen, dat ze bijna in haar broek plaste. En mijn hart smolt nog meer…

#Pottenkijkers

Het was rustig op de SEH. Er lag maar een patiënte en toch leek het in mijn hoofd te krioelen van de gedachten. Mijn patiënte van heel de avond, was een jong meisje van vier. Met een snoezig lief gezichtje, lichtblonde haren en bruine ogen. Ze hield haar grijze muis-achtige knuffel stevig vast en keek huiverig om zich heen.

Wanneer het angstige, maar dappere meisje en haar ouders mij toestemming hebben gegeven om haar te onderzoeken, doet ze haar trui omhoog. Ik schrok van haar buikomvang en probeerde mijn schrik te camoufleren door nonchalant een grapje te maken over dat de stethoscoop koud aan zal voelen. Ik begon bij het beluisteren van haar hart. Geen idee, waarom ik niet bij de buik begon. Ik denk dat ik er zo van schrok dat ik het onbewust probeerde te negeren, zodat ik niet haar of haar ouders bezorgd zou maken.

Ik vroeg haar of ze met haar mond open diep in en uit wilde zuchten, dit deed ze netjes. ‘Vesiculair ademgeruis over alle longvelden en geen bijgeluiden,’ mompelde ik richting de arts-assistent. Medisch taalgebruik voor ‘de longen zijn schoon.’ En nu kon ik er niet meer omheen. Ik moest de buik gaan onderzoeken. Ik wierp nog even een blik naar de arts-assistent. Hij knikte begripvol en ik merkte dat hij begreep dat er een lampje bij mij is gaan branden en ik niet hardop, waar het kindje bij zit, het woord kanker hoef te roepen. Waarschijnlijk wist ze er toch al meer over dan ik. Maar toch.

Als je er zo een eerste blik op werpt, lijkt er niet veel aan de hand. Een vier jarig meisje met koorts, haar ouders liefelijk bezorgd naast haar bed in hartje winter. Had zomaar een griepje kunnen zijn. Totdat je de buik gaat onderzoeken natuurlijk. Ik mocht van tevoren niet in haar dossier kijken van de arts-assistent, anders zou ik namelijk hebben geweten dat ze pas chemotherapie heeft gehad.

Dit meisje was niet op de SEH, omdat ze verkouden of een buikgriepje had. Ze was hier, omdat haar ouders de instructies van haar arts goed hadden opgevolgd. Dit meisje had namelijk kanker, Wilms-tumor genaamd. Een vorm van nierkanker wat alleen voorkomt bij jonge kinderen. En bij koorts, moesten ze direct naar de SEH komen. Een van de instructies die ze meegeven na chemotherapie.

De tumor was zo groot, dat er een enorme zwelling over haar gehele buik zichtbaar was. Ik weet niet zo goed hoe ik het moet beschrijven, maar je kon er niet omheen. Ik merkte aan het meisje dat ze genoeg had van al die pottenkijkers. Ik deed haar trui weer omlaag en dekte haar toe. We zeiden niet veel. De arts-assistent gaf nog aan de ouders mee dat we contact gaan opnemen met de behandelende arts. Veel konden wij nu toch niet doen, behalve wat bloedprikken, lichamelijk onderzoek en vragen naar de naam van haar knuffel.

Op de gang zei de arts-assistent: ‘Zo Do, nu heb je ook een Wilms-tumor in het echt gezien.’ Ik knikte. Of ik er blij mee was, wist ik niet zo goed. Wilms tumor heeft een hoge genezingskans, maar toch. Het blijft kanker.

En dan nog te bedenken, dat sommige mensen dat woord gebruiken om ‘stoer’ te praten…

#StatusSusStatusZo

‘Doa!’ riep de arts-assistente. Beduusd keek ik op van mijn computerscherm, want ze zat echt pal naast mij en ik begreep niet zo goed waarom ze zo hard mijn naam moest roepen. ‘Waarom heb je in je verslaglegging geschreven dat die mevrouw van een kruk is gevallen, toen ze haar kamer lampje aan het wisselen was.’ ‘Omdat die patiënte het zo verteld heeft, hoezo?’ vroeg ik. Ze keek geërgerd en proestte: ‘Ja, dat hoeft er dus niet in.’ Ik zag haar mijn zinnen deleten. Alleen de zin ‘gevallen en op haar polsen terecht gekomen’ liet ze staan. ‘Jeetje, ben je met de verkeerde been uit bed gestapt?’ had een ander arts-assistent haar gevraagd. Ik geloof dat hij voor de arme coassistent wilde opkomen.

Het kon mij allemaal niets schelen. Ik had mij alweer gericht op mijn eigen computerscherm en tikte mijn statussen verder door. Ze moest het lekker zelf weten als ze zich zo wilde gedragen. Ik lig er niet wakker van. Maar of ik er oprecht iets van leer, is een andere vraag. Gaandeweg leer je zo goed de statusvoering, dat je precies weet bij welke arts-assistent je het hoe en wat moet opschrijven. Zonder dat je er echt bewust van bent.

Want als coassistent word je elke week, door een ander arts-assistent, weer op het matje geroepen omdat je de status niet zo hebt getypt zoals zij het willen. Gelukkig heb je ook arts-assistenten ertussen zitten die het gewoon prima vinden, zoals je het doen (zolang alle belangrijke dringen erin staan), en zeggen ze troostend: ‘Iedereen doet het toch anders.’

En dat klopt. Echt iedereen doet het anders. Op de interne houden ze van lange lap teksten schrijven. Maar niet te lang. En geen fratsen, alleen de belangrijke informatie. Dan heb je nog de collega’s die liever een slash dan een dubbele punt gebruiken, of andersom. En de collega’s die fan zijn van afkortingen, terwijl je ook collega’s hebt die daar enorm allergisch voor zijn.

Op de chirurgie houden ze juist van korte statussen. Maar te kort is ook alweer niet goed. Het is eigenlijk nooit goed. Er is bijna altijd wel iets wat je niet erin hebt gezet of wat ze juist overbodig vinden. Ja, erg demotiverend voor een “schrijvende coassistente.”

Behalve op de psychiatrie. Daar is het echt feest voor schrijvende coassistenten als ik, want daar mag je hele a4’tjes volschrijven. Alles mag erin. Hoe gedetailleerder hoe beter. “Moeder zei dit, dochter zit voorovergebogen, patiënt maakt geen oogcontact.” Heerlijk. Daar moet je bij de chirurgie echt niet mee aan komen zetten: ‘Pietje is tijdens het voetballen met oom van moederskant en neefje, gevallen en met zijn knie tegen een paal aangekomen. Pietje kreeg toen een ijsje tegen de pijn.” Ik zie het al helemaal voor mij hoe de arts-assistenten van de chirurgie daar spontaan een zenuwtrekje van krijgen.

#Driewensen

‘Stel je eens voor, dat je drie wensen mag doen. Wat zou je dan wensen?’ vroeg ik haar. Ze keek mij voor een paar milliseconden vluchtig aan en wierp vervolgens haar blik weer verlegen naar de grond. Ze haalde haar schouders op en schoof haar handen onder haar benen. ‘Ik snap het. Het is ook een lastige vraag,’ probeerde ik haar gerust te stellen. Of moed in te spreken. Ik weet niet zo goed wat ik probeerde.

Maar die vraag was belangrijk om te stellen, zodat ik een inschatting kon maken over wat er speelde in haar hoofd. Welke interesses en dromen ze heeft of nog heeft na alles wat ze heeft meegemaakt. Na een ongemakkelijke stilte besloot ik de andere vragen te stellen. Volgens het rijtje. Allemaal even lastig, confronterend en vluchtig beantwoord door haar met een snelle knik of een zachte gefluister van twee á drie woorden.

Ik moest mij inhouden om niet op te staan het jonge meisje te knuffelen en probeerde mijn meest professionele houding aan te nemen, zodat ze niet zou merken dat ik medelijden had. Ik wilde haar niet een ongemakkelijk gevoel geven of het idee geven dat ik haar alleen maar wil helpen, omdat ik haar zielig vind. Ik bleef de vragen door stellen, ondanks dat ik soms geen antwoord kreeg. Maar haar verlegen, sombere en ‘het-liefst-willen-wegvluchten’ houding, maakten mij boos. Niet op haar, maar op de wereld.

‘Wat heb je toch allemaal meegemaakt meisje?’ wilde ik haar vragen. Maar het bleef bij een stem in mijn hoofd en een onbeantwoorde vraag. Waarschijnlijk had ze er sowieso geen antwoord op gegeven. Een ding was ik wel wijzer geworden van het gesprek, maar begreep er eigenlijk niets van. Het magere, tengere, kwetsbare meisje vond zichzelf te dik. Ik voelde mij een olifant naast haar, zo mager was ze.

‘Hey, ik ben door al mijn vragen heen. En volgens mij begin jij ook moe te worden. Dus laat mij jou terugbrengen naar de afdeling,’ zei ik. Ze knikte en stond op. Toen we samen naar de afdeling liepen, gaf ik haar een gemeend compliment: ‘Ik vond dat je het heel goed hebt gedaan, want ik weet hoe lastig het voor je is. Dapper van je dat je met mij erover wilde praten.’ Ik merkte toen pas hoe angstig en terughoudend ze eigenlijk was en liep het liefst een meter voor mij of achter mij.

Ik nam het niet persoonlijk. Het leven kan soms erg onredelijk zijn. En de een kan er beter mee omgaan dan de ander. Ze heeft mij wel aan het denken gezet. Ik meende ook wat ik zei, toen ik haar probeerde gerust te stellen met ‘Het is een lastige vraag.’ Want dat is het inderdaad. Als ik een goede dokter wil worden, moet ik dezelfde vragen die ik aan mijn patiënten stel ook aan mezelf durven vragen. Hoe confronterend ze ook zijn.

Ik weet niet wat ik zou wensen, als ik nu drie wensen had. En ik weet eigenlijk niet of ik dat wist toen ik zo jong was als haar.

#Snijzaal

‘Krijgen jullie ook anatomie lessen?’ vroeg ik aan de neuropsychologie stagiaire. Ze knikte, drukte haar bril verder op de brug van haar neus en tikte verder op haar computer, terwijl ze mij aankeek: ‘Ja, maar alleen van de hersenen. De hersengebieden, de 12 hersenzenuwen enzovoort.’ ‘Gaaf!’ reageerde ik enthousiast. Ze vertelde daarna verder dat ze ook in de hersenen mocht snijden. Echte mensenhersenen. ‘Ik dacht alleen dat geneeskunde zulke gekke dingen bevatte,’ giechelde ik.

‘Ja, want jullie moeten al in het eerste jaar de snijzaal in toch?’ vroeg een andere neuropsychologie stagiaire. Ik draaide met mijn stoel haar kant op en zei: ‘Klopt. Eigenlijk al in de eerste week.’

Ik kan het mij herinneren alsof het gisteren was. Het was Ramadan en ik was aan het vasten. De dag ervoor hadden ze ons geadviseerd erg goed te ontbijten of te lunchen voor je de snijzaal ingaat. Dus ik had die ochtend, voor de zon weer op kwam, mij flink zitten volproppen met brood.

De grote witte labjassen die wij aangereikt kregen in de snijzaal, zwom ik bijna in weg en de geur van de lijken is nog vers in mijn neus gegrift. Ik kan het nu nog ruiken als ik er aan denk. Veel medische studenten gingen in die eerste week al van hun stokkie. Ze trokken blauw weg, kregen onwijs grote pupillen en voor je het wist hoorde je iets op de grond neerploffen. Vervolgens werden ze dan door de professor of een van de studenten wakker geschud en probeerde de rest van de groep zijn lach in te houden.

‘Heb je weleens de hele hersenen in je handen vastgehouden?’ vroeg ik aan de stagiaire neuropsychologie. ‘Ja, best zwaar die dingen.’ Zwaar zijn ze zeker. Daar kwam ik achter, tijdens het themablok Neurologie.

‘Pas op dat je het niet laat vallen, want het ziet er zo wel stevig uit, maar als het valt spettert het alle kanten op,’ had de professor ons nog even gewaarschuwd voor de les begon. Ik kon er niets aan doen, dan mij dat beeld voor te stellen en heb toen die hersenen vastgehouden alsof mijn eigen leven ervan afhing. Daarna heb ik de halve stad enthousiast, met armgebaren en al, lopen vertellen dat ik mensenhersenen vast heb gehouden, niet beseffend dat ze mij aankeken alsof ik een of andere gek was. Het is gewoon heel bijzonder om het van zo dichtbij te mogen zien en vasthouden.

Tijdens mijn minor, kreeg ik zelfs mijn eigen hoofd. Een echte lijkenhoofd. Dat was wel even slikken. Toch anders dan een heel lichaam met het hoofd bedekt. Alleen een hoofd, was minder aangenaam om naar te kijken. Dan vraag je jezelf sterk af, wie die personen waren. Wat ze deden in het leven. En wat voor helden het eigenlijk zijn, dat ze hun lichaam ter beschikking stellen voor de wetenschap.

#PerfectReality

‘Do,’ hoorde ik iemand achter mij mijn naam roepen. Ik keek om en zag een oud collega. ‘Hey,’ mompelde ik, half verstopt onder mijn dikke sjaal. ‘Dat is lang geleden.’ Ze knikte. ‘Klopt! Hoe gaat het? Je hebt het echt voor elkaar hé!’ zei ze. Ik keek haar onbegrepen aan en trok mijn wenkbrauw vragend op. ‘Je blog! Ik herinner mij van vroeger dat je altijd wilde schrijven. Doe je goed hoor. Ik zou dat echt niet kunnen naast mijn studie. Geneeskunde, deed je toch?’ Ik forceerde een glimlach, die ze toch niet onder mijn sjaal kon zien en knikte.

Ik vond het erg lief van haar, die complimenten, maar er was natuurlijk niets van waar. Ik heb het nog lang niet gemaakt en heb helemaal niets voor elkaar. Het kan achteraf allemaal beter, laat ik het zo zeggen.

Voor de buitenwereld lijkt het soms of bepaalde mensen, vooral op social media, het leven makkelijk aan kunnen. Misschien is dat ook wel zo. Ik kan alleen vanuit mijn eigen spreken en ik weet, dat ik vaak tegen harde muren aan bots, mijn schedel bijna breek over beslissingen die ik niet helemaal overtuigd kan maken, maar het voor andere mensen lijkt alsof het mij allemaal simpel afgaat.

That’s not true. Ik heb de nodige vertraging opgelopen tijdens mijn studie, ik heb het schrijven jaren laten liggen en heb eigenlijk nooit het idee gehad dat ik ‘slecht’ bezig was. Maar de laatste tijd, denk ik er opeens heel veel aan. Achteraf is alles makkelijker praten natuurlijk. Misschien moet ik maar gewoon niet zo zeuren en denken dat alles met een reden gebeurd en alles gaat zoals het moet gaan. We hebben niet alles zelf in de hand.

Hoewel ik soms mezelf gangster voel, omdat ik denk mijn leven de baas te kunnen zijn. Totdat iemand uit een of ander vergeten hoek komt kruipen en mij vraagt: ‘Hey Do, enne weet je al wat voor dokter je wilt worden!?’ Het liefst trap ik dan diegene ‘per ongeluk’ keihard op zijn tenen en ren weg, terwijl ik nog een ongemeend ”sorry” naroep. Waarschuw mij even, voor je confronterende vragen stelt.

Wat ik probeer te zeggen is, denk alsjeblieft niet dat je een mislukkeling bent omdat mensen je dat akelige gevoel geven. Het ligt dan vaak eerder aan hen. Zit er alsjeblieft niet mee dat het nu even niet gaat met school, of dat je de verkeerde keuzes hebt gemaakt. Kom van die ellendige bank af, stop met scrollen over de tijdlijn van anderen en hun zogenaamde ‘perfecte’ leventje en dan zul je zien dat het beter zal gaan. Want de waarheid is, dat NIEMAND het compleet voor elkaar heeft. Dat zelfs de grootste professoren, presidenten, beroemdheden en noem maar op hun onzekerheden hebben.

We zijn desnoods allemaal mens..

#Depressie

’27 procent van de geneeskundestudenten heeft weleens depressieve gedachten. Elf procent hiervan denkt soms aan zelfmoord,’ las ik net op nu.nl. Gek genoeg, verbaas ik mij hier niet echt over.

Ik krijg vaak de vraag, van mensen die de blog lezen en dromen van de studie Geneeskunde of de studie ”zwaar” is. Ik weet nooit zo goed wat ik hierop moet antwoorden. Zwaar in de zin van wat? Dat je al die anatomie maar continue blijft vergeten, ziektebeelden door elkaar haalt, of de stof niet kan bijbenen?

Lichamelijk zwaar misschien? Vooral tijdens je coschappen. Elke dag vroeg opstaan en tot laat in de avond nog doorwerken en hopen dat je nog een beetje tijd over houdt om te sporten, als je tenminste niet moet studeren voor die verrekte MAK-toetsen?

Of zwaar in de zin van mentaal zwaar? Dat je ooit in je carrière waarschijnlijk de dood van een patiënt op je geweten zult nemen, want dat hoort bij het vak. Soms gaat er iemand dood en ga jij je afvragen of het jouw schuld is.

Zwaar in de zin van, concurrentie misschien? Geneeskunde studenten staan er een beetje om bekend dat het de ”betweterige” type studenten zijn. Dat hoor ik tenminste terug van studenten die geen Geneeskunde studeren. En vaak merk ik dan, dat ik op een betweterige manier, in de verdediging schiet. Sh*t, misschien hebben ze toch gelijk over ons (de geneeskunde student).

Ik denk vooral dat de studie zwaar is, in de zin van angst en stress. Angst dat je het allemaal niet aan zult kunnen. Angst dat je de foute diagnoses gaat stellen. Angst dat je collega’s je niet zullen respecteren omdat je een drol van een dokter blijkt te zijn. En de stress die daar bij komt kijken.

Als we eerlijk moeten zijn, denk ik dat depressie ook bij andere studenten voorkomt. Maar een geneeskundestudent met depressie!? Pff, daar praten we niet over..want jeetje, oh wee als mensen het idee krijgen dat je het allemaal niet aan kunt, wat voor dokter ga je dan straks wel niet voorstellen?

Er hangt een soort taboe op depressie bij de geneeskundestudent, en waarschijnlijk ook bij de dokters onderling. Maar, ik als arts in spe, zou echt beter moeten weten. Dat depressie, niet iets is wat je weg moet stoppen. En zeker niet als je ook nog eens suïcidale gedachten erbij hebt. Dus, misschien wordt het tijd collega’s dat we die taboe gaan verbreken. Praat met elkaar. Want we kunnen elkaar alleen helpen als we weten dat er een probleem is.

#Vluchtelingen

“Mag ik nog heel even jullie aandacht voor jullie allemaal opstaan,” riep een van de arts-assistenten aan het einde van de avond overdracht. “Er ligt een jongeman, Koerdische vluchteling uit Irak, met buikpijn klachten op mijn afdeling. Hij verstaat en spreekt geen woord Nederlands noch Engels.” Aandachtig luisterde ik naar zijn verhaal en wat de specialisten hem adviseerden.

Hij had geen flauw idee wat precies de klachten waren van deze patient, wanneer de klachten begonnen, of hij dit eerder heeft gehad en allemaal andere dingen die een dokter graag wilt weten voor er wordt over gegaan op aanvullend onderzoek. Ik besloot na de overdracht de arts-assistent te vragen of ik hem kon helpen met vertalen. Een van mijn collega coassistenten vroeg mij of ze mee kon. “Ik vind andere talen altijd geinig om te horen,” zei ze. Ik vond het prima.

Nadat de specialisten, arts-assistenten en coassistenten opstonden om naar huis te gaan of terug te gaan naar de afdeling liepen mijn collega en ik naar de arts-assistent toe die een van de specialisten aan het opwachten was. “Hey, ik kan wel met je mee naar die patient uit Irak. Ik spreek arabisch,” stelde ik aan hem voor. Hij keek mij een paar seconde aan alsof ik een lompe voorstel maakte. Ik begon mij een beetje ongemakkelijk te voelen erdoor, maar uiteindelijk antwoordde hij: “Ja, dat is wel handig. Maar ik moet nog even wat bespreken over een ander patient met een van de specialisten.” Ik keek mijn collega coassistent aan en zei: “Dan kunnen wij toch alvast gaan. Ik kan je bellen als ik nuttige informatie eruit heb kunnen halen.” Hij vond het goed en samen met de andere coassistent liepen we naar de afdeling.

Op de afdelingen vroegen we aan een van de verpleegkundigen waar de patient lag. Ze wees ons naar de isolatie kamer. Ze zag ons gezichten geloof ik wit wegtrekken en stelde ons gerust dat we geen beschermende kleren aan hoeven te doen zolang we de patient niet aanraken.

Bij de kamer aangekomen keken we eerst voorzichtig om het hoekje, de patient leek te slapen. Maar wanneer mijn collega voorzichtig aanklopte, deed hij zijn ogen open en keek ons alert aan. We liepen samen naar binnen en ik groette de jongeman in het arabisch: “Salamoe alailoem.” Zijn gezicht leek even op te lichten en hij groette vriendelijk terug. Het viel ons op dat zijn kleren vies waren van de bloedvlekken.

Ik stelde hem een paar vragen en vertaalde ondertussen aan mijn collega wat hij allemaal vertelde. Het werd ons snel duidelijk wat zijn klachten waren: buikpijn, in aanvallen, misselijkheid maar geen braken, geen diarree of obstipatie, niet samenhangend aan maaltijden, bewegingsdrang, geen ziekten in de familie, drinkt geen alcohol, gebruikt geen drugs, hardnekkige roker.

“Hoe komt u aan al dat bloed op uw kleren?” vroeg ik hem als laatst. “Ik heb de infuus er boos uitgetrokken omdat ik weg wilde gaan. Ik wil terug naar het kamp. Ze hebben mij hier in een hok gestopt alsof ik een dier ben, niemand komt even vragen hoe het gaat. Het lijkt wel alsof ze mij vergeten zijn.”

Ik hoorde aan zijn stem dat hij emotioneel raakte. “Niemand is u vergeten,” probeerde ik hem gerust te stellen. “De dokters zijn hard bezig met u te helpen. Maar omdat ze niet met u kunnen praten in een taal dat u verstaat, gaat het nu allemaal wat langzamer. En u ligt in dit kamertje omdat wij niet weten of u mogelijk ziek bent geraakt door een bacterie. Dus uit bescherming voor andere patienten en het personeel, ligt u in een afgesloten kamertje.” Hij knikte begripvol. “Ik ga uw verhaal zo terugkoppelen aan de dokters en dan zal u snel verder geholpen worden,” voegde ik nog eraan toe.

Wanneer mijn collega en ik weer willen vertrekken vroeg hij of ik ook kan doorgeven dat hij graag even naar buiten wilt om te roken. “Roken is slecht voor uw gezondheid,” zei ik op een betweterige toon waar ik mij zelf ook aan ergerde. “Weet ik, maar op dit moment is het mijn enige medicijn tegen de heimwee.”

#Burqa

Ik zag haar van een verte al aanlopen. Van top tot teen in het zwart gesluierd. Alleen haar ogen niet verborgen voor de wereld. Ik zag hoe mensen afkeurend naar haar keken en stappen naar achteren deinsden als ze langs ze liep. De angst was letterlijk van hun lichaamshouding af te lezen. Maar haar angst viel alleen mij op. Want ik keek haar echt aan. Zocht oogcontact met haar, maar ze bleef onschuldig naar de grond kijken. Het verscheurde mijn hart dat, mijn eigen zuster, mij niet herkende als een van haar. Als een allochtoon, een moslima, maar misschien het meest belangrijkst een VROUW. Kwam het door mijn gescheurde spijkerbroek? Of mijn leren jas, dat ze mij niet herkende?

Ik wilde haar duidelijk maken dat ze niet bang hoefde te zijn voor mij, dat mijn ogen haar niet veroordelen, dat ik de mens onder die sluier zie. Ik hield vol en bleef haar ogen volgen tot ze eindelijk oogcontact met mij maakte. Ik greep mijn kans en glimlachte naar haar. Ze keek verschrokken alsof ze zojuist iets wonderbaarlijks had meegemaakt. Ik dacht te menen dat ze fronste, maar ik bleef glimlachen en groette haar. Haar ogen ontspanden, maakten de vriendelijkste buiging die ik ooit bij een mens had gezien en ze groette terug. Heel even hadden wij contact. Vredig menselijk contact.

Ik weet dat het veel mensen afschrikt. Dat zo een sluier veel negativiteit oproept bij mensen. Maar ik heb dat ook met clowns. En dit is niet eens grappig bedoeld. Ik ben serieus. Ik vind clowns eng, omdat ik niet weet hoe ze eruit zien onder al dat schmink. Maar moeten we alles verbieden wat we eng vinden?

Ik weet niet precies wat ik voel. Hoe ik over dit alles moet denken waar ons rechtssysteem vandaag toestemming voor heeft gegeven. Ergens begrijp ik het wel. Maar ik kan het niet helpen om mij er enorm verdrietig over te voelen. Hoe verrot moeten deze vrouwen zich nu wel niet voelen? Het lijkt mij verschrikkelijk om niet meer te kunnen staan en gaan waar je wilt om een stuk stof. Dit doet pijn.

Ik weet niet hoe het met de rest zit. Maar als ik straks dokter ben, maakt het mij niet uit of je gesluierd bent, als zwarte piet geschminkt bent en zelfs als je een clown bent, zal ik mijn angst voor je overwinnen om je te helpen. Want iedereen verdient goede zorg. En het idee dat een gesluierde vrouw niet meer welkom is in het ziekenhuis, geeft mij een heel naar gevoel. Dat staat niet in de artseneed.